Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergelijken. Gewoonlijk worden hierin geen onregelmatigheden gevonden.

2°. Als de "hartlijn van den kanon en daarmede de draaiingsas van den grooten spiegel niet juist door het middelpunt van den verdeelden rand gaat, ontstaan daardoor excentriciteitfouten. Het onderzoek naar deze fouten kan geschieden door het meten van hoeken waarvan de grootte nauwkeurig bekend is. Zijn ze eenmaal bepaald dan blijven ze verder onveranderd en de correcties worden op de gemeten hoeken toegepast.

Men dient echter in het oog te houden dat de hier bedoelde fouten de sommen zijn van de excentriciteitsfouten en de hierna te noemen spiegelfouten. De correcties worden dus anders, wanneer de groote spiegel bijv. verwisseld of in het huisje omgekeerd wordt.

Om doorbuigen van den wijzer te voorkomen, moet gezorgd worden dat de as met zoo min mogelijk wrijving in den kanon draait. Zooals reeds is opgemerkt heeft men zich daartoe te overtuigen dat as, kanon en opsluitingsring goed schoon en geolied zijn, doch ook de opsluitingsschroef mag niet al te vast worden aangedraaid. De schroef mag echter ook niet los zijn, want dan zit de as ook los in den kanon en men heeft kans op veranderlijke excentriciteitsfouten.

3°. De spiegels moeten gemaakt zijn van zuiver helder glas, terwijl voor- en achtervlak nauwkeurig evenwijdig aan elkaar moeten zijn. Als deze vlakken een hoek maken, vormen zich twee spiegelbeelden, een op het voor- en een op het achtervlak. Is de hoek die de vlakken met elkaar maken gering, bijv. niet meer dan 3" a 4" en zijn de te meten hoeken niet groot, dan zullen deze beelden 'elkaar nagenoeg geheel bedekken, zoodat men geen last zal hebben van dubbele randen. Is echter de hoek tusschen de vlakken grooter, dan gaan de beelden verder uit elkaar en hoewel dat van het achtervlak het helderst is, ontstaat er verwarring, vooral wanneer de kimspiegel het zelfde gebrek heeft en men dus vier beelden ziet, die elkaar voor 't grootste deel bedekken en waarvan de randen dicht bij elkaar gelegen zijn. Scherpe instelling wordt dan onmogelijk. Het beeld op het achtervlak wordt ten gevolge van deze spiegelfout in eenigszins andere richting gezien dan bij een goeden spiegel. De fout die daardoor ontstaat blijft wat de kimspiegel betreft, onveranderd, daar de lichtstraal komende van den grooten spiegel, steeds onder denzelfden hoek op den kimspiegel valt. De fout door niet evenwijdigheid van voor- en achtervlakken is bij den grooten spiegel wel veranderlijk. Bij den grooten spiegel vooral is het dus zaak om deze fout te vermijden. Als de spiegels gebogen zijn, worden de beelden misvormd en zijn zij gewoonlijk onbruikbaar.

4°. De groote spiegel moet loodrecht staan op 't vlak van 't instrument. .

Men plaatst den wijzer in 't midden van den rand, neemt 't instrument zoodanig in de hand, dat men langs de binnenzijde van den grooten spiegel naar de nulzijde van den rand kijkt. Men ziet

Sluiten