Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het meten van een stershoogte kan men den langen kijker niet gebruiken, omdat de kim 's nachts te onduidelijk zichtbaar is

Om te zorgen dat men de ster, waarvan de hoogte bepaald moet worden, niet met een naburige ster verwart, plaatst men den wijzer op nul en ziet mep door het onverfoelied deel van den kimspiegel naar de ster. Men heeft dan ster en gereflecteerd beeld in één als de index-correctie nul is. Men laat nu het instrument langzaam zakken, terwijl men door het verplaatsen van den wijzer zorg draagt dat het gereflecteerde beeld steeds in den kimspiegel zichtbaar blijft. Daar men het beeld van de ster op die wijze niet uit 't oog verliest, zal men het op de kim kunnen brengen, zonder gevaar van verwisseling met een andere ster.

Als de waarnemer het instrument niet juist vertikaal houdt meet hij in plaats van de hoogte boven de kim, den afstand van het hemellichaam tot een punt van de kim buiten den vertikaal. De hoek zal dan te groot worden gemeten. Men vermijdt deze fout door het instrument om de as van den kijker wat heen en weer te draaien; het bovenste of onderste punt van het beeld van het hemellichaam zal dan een boog beschrijven, die de kim juist moet aanraken, wil men de juiste randshoogte meten.

Bij het meten van een zonshoogte met behulp van den art. hor. geeft de lange kijker weer grooter kans op nauwkeurigheid door de groote beelden.

Gebruikt men den langen kijker, dan meet men, daar deze kijker omgekeerde beelden geeft, de dubbele bovenrandshoogte, wanneer men den onderrand van het dubbel gereflecteerde, dus het beweegbare beeld, in aanraking brengt met den bovenrand van het stilstaande beeld in den art. hor. Men meet de dubbele onderrandshoogte, wanneer men den bovenrand van het beweegbare beeld in aanraking brengt met den onderrand van het stilstaande beeld.

Gebruikt men geen langen kijker, dan is natuurlijk het omgekeerde het geval.

Op de dubbele randshoogte aldus gemeten, wordt eerst de indexcorrectie toegepast. Deelt men daarna door twee, dan krijgt men de schijnbare randshoogte boven den schijnbaren horizon, schijnbare locale randshoogte genaamd. In dat geval wordt dus geen kimduiking toegepast.

IV. TIJDMETERS OP CHRONOMETERS.

Tijdmeters zijn zeer zorgvuldig bewerkte uurwerken, welke dienen om aan boord steeds den middelbaren tijd Greenwich te kunnen bepalen. Zij behooren in de eerste plaats zoodanig ingericht te zijn, dat afwisseling van' temperatuur slechts weinig invloed heeft op den regelmatigen gang van het uurwerk.

Het werk van den tijdmeter kan in twee hoofddeelen verdeeld worden, n.1. le. de groote veer, die de drijfkracht verschaft, met hét raderwerk en 2B. de balans met spiraal en échappement, die den gang van het uurwerk regelen.

Sluiten