Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kogels aan t nachthuis kan een gewoon peiltoestel niet gebruikt worden. Bij het kompas heeft Thomson daarom een bizonder peiltoestel uitgedacht. ^

De inrichting van het peiltoestel is zichtbaar in Fig 99 De verticale naald H rust met haar ondereinde in een uitholling in .•l^ldden17an het Peiltoestel- Het peiltoestel is draaibaar om de stilt C, welke past m een gat, voorzien van een metalen voering juist m het midden van het dekglas. Door middel van de veer D kan men het peiltoestel zonder schokken kleine bewegingen geven om het horizontaal te stellen. Met een luchtbelwaterpas\ZV kan dè horizontale stand van het peiltoestel gecontroleerd worden

Aan de andere zijde van het peiltoestel is een loupe aangebracht, bestaande uit een koker, waarin een bi-convexe lens L. Boven aan den koker bevindt zich de azimut'hspiegel S, of een glazen prisma dat den spiegel vervangt. Daar de spiegel om een horizontale as draaibaar is kan men den spiegel zoodanig draaien dat de lichtstralen van het te peilen voorwerp, na terugkaatsing in het oog van den waarnemer vallen, wanneer deze door de loupe kijkt. De loupe is zoodanig geplaatst dat de randverdeeling der roos even binnen hoofdbrandpuntsafstand van de lens valt. Men ziet dan een vergroot beeld van de randverdeeling en in dezelfde richting het spiegelbeeld van het te peilen voorwerp, zoodat men direct kan aflezen met welk punt der verdeeling dat beeld overeenkomt.

Als de naald H in één gezien wordt met het roode pijlpuntje F, dan bevindt de waarnemer zich met het oog in het verticale vlak, gaande door het midden van de loupe. Valt dan bovendien het spiegelbeeld samen met de roode punt dan is men zeker van een nauwkeurige peiling, welke ook de hoogte is van het te peilen voorwerp. r

Het peiltoestel biedt echter het groote voordeel aan dat het niet altijd noodzakelijk is- dat het te peilen voorwerp gelegen is in den vertikaalcirkel gaande door het midden van het peiltoestel. Dit is bij andere peilinrichtingen wél het geval, zoodat peilingen daarmede gedaan, onder ongunstige omstandigheden, als de zon zich bijv. nu en dan slechts even tusschen de wolken vertoont, moeilijk en onzeker worden.

Om het bovengenoemde voordeel te verkrijgen zou het, voor voorwerpen in den horizon voldoende zijn te zorgen dat de hoofdbrandpuntsafstand van de lens zoodanig is, dat bij juiste plaatsing van de lens (randverdeeling der roos even binnen hoofdbrandpuntsafstand) de afstand van de randverdeeling tot de lens, gelijk werd aan de straal van de kompasroos. Stel n.1. dat in Fig. 100 ab = de lengte van 1° van de roos en bc = afstand van de lens, dan ziet men (door de lens kijkende en het oog in c gedacht) van die 1 een vergroot beeld AB. Dat beeld wordt gezien onder den hoek Acb = /_acb. Is nu Je astraal van den kompasroos, dan is 't duidelijk dat /_acb = \°.

De vergrooting door de lens heeft dus geen invloed op de boekwaarde waaronder de graadverdeelingen der roos gezien worden.

Sluiten