Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het aardmagnetisme, dan stelt M X H de kracht voor waarmede de naald van de roos, buiten invloed van het scheepsijzer, in den magnetischen meridiaan gericht wordt. Het zal dus tevens zaak zijn om M zoo groot mogelijk te maken. Ook hier zou het weder, om bovengenoemde redenen, ondoelmatig zijn om ter verkrijging van een groot magnetisch moment, het gewicht van de magneetnaalden en dus van de roos belangrijk te vergrooten. Aan het gebruik van lange naalden ter verkrij ging van een groot magnetisch moment is evenzoo een nadeel verbonden. Bij de theorie der compensatie van de kompassen wordt namelijk uitgegaan van het beginsel dat de lengte der magneetnaalden oneindig klein is ten opzichte van de afstanden der magnetische polen aan boord en dat de naalden niet induceeren op het week ijzer dienende voor de compensatie (bollen, cilinders of ketting en Flinders-staaf). Bij lange naalden, waar deze voorwaarde dus niet vervuld is, ontstaan dientengevolge onregelmatigheden in de afwijkingen die moeilijk volkomen kunnen worden weggenomen.

Het is dus bezwaarlijk om, zonder daaraan verbonden nadeelen, aan een lichte roos een op zich zelf groot magnetisch moment te geven. Dit bezwaar -is echter niet overwegend daar het voor de zuivere instelling van de roos, nadat deze is afgeweken, voldoende is indien het magnetisch moment groot genoeg is ten opzichte van het gewicht van de roos; van dit gewicht toch is de wrijving afhankelijk.

Men ziet dus dat in 't algemeen de maatstaf ter beoordeeling van de kompasrozen niet gezocht moet worden in de absolute waarden van het traagheidsmoment T eji het magnetisch moment M, doch als p het gewicht der roos voorstelt, in de verhoudingen TM

— en — terwijl het gewicht zoo klein moet zyn als mogelijk is

bij voldoende stevigheid van de roos.

Eindelijk dient bij de beoordeeling van kompasrozen nog gelet te worden op de slingerperiode, d. i. de tijd, dien de roos noodig heeft, om wanneer zij uit de magnetische richting gebracht is, een schommeling te volbrengen. Doet de roos een schommeling in den zelfden tijd, waarin het schip een slingering volbrengt, dan is dat natuurlijk ongunstig, want het gevolg zal zijn, dat de schommelingen der roos grooter worden, en de roos dus zeer onrustig wordt. In verband met de gemiddelde slingerperiode der schepen mag de slingerperiode der roos dan ook niet veel- kleiner zijn dan 13 a 14 secunden.

Op verschillende wijzen heeft men getracht goede kompasrozen samen te stellen en naar gelang daarbij de hiervoor genoemde gunstige voorwaarden meer of minder tot hun recht komen, hebben de verschillende soorten van rozen ook hun eigenaardige voor- en nadeelen, zooals ook uit het onderstaande tafeltje blijkt.

Onder de goede soorten behooren de hiervoor beschreven rozen van Kaiser, van Thomson en van Hechelmann-Thomson. De TnoMsoN-rozen door den instrumentmaker Harri gemaakt, hebben

Sluiten