Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaam boven den schijnbaren horizon, maar boven de schijnbare kim. Men moet dus van de gemeten hoogte aftrekken, hetgeen de schijnbare kim duikt onder den schijnbaren horizon d. i. in Fig. 114 /_EAC.

De schijnbare kimduiking is de hoek, gevormd door het vlak van den schijnbaren, horizon en de richting waarin de schijnbare kim zich vertoont.

In Tafel XXXII is voor het argument „hoogte van het oog boven water in Meters" de schijnbare kimduiking gegeven. De Tafel geeft ook schijnbare kimduiking met onvrije kim. (Zie „Nadere beschouwing der hoogteverbeteringen.)

De schijnbare kimduiking kan ook in plaats van uit Tafel XXXII door hoekmeting verkregen worden. (Zie hierover „Nadere beschouwing der hoogteverbeteringen").

2°. De refractie of straalbuiging.

Een lichtstraal, die ih den dampkring treedt, wordt door de luchtlagen van verschillende dichtheid gebroken.

Men ziet dus in Fig. 114 den onderrand van de zon niet in de richting AH, doch in de richting van de raaklijn aan de kromme die het licht doorloopt, dus in de Figuur in de richting AF.

Men ziet de hemellichamen ten gevolge der straalbuiging altijd hooger, dan zij werkelijk staan, zoodat de correctie voor de straalbuiging, evenals voor de kimduiking, moet worden afgetrokken. Hoe lager het hemellichaam staat, hoe grooter straalbuiging. Staat het hemellichaam in top, dan is de straalbuiging nul. Het azimuth van het hemellichaam wordt door de refractie niet gewijzigd. In Fig. 114 stelt /_FAH de correctie voor de straalbuiging voor.

De correctie voor de straalbuiging is de hoek, gevormd tusschen de lijn getrokken uit het oog van den waarnemer naar de werkelijke plaats van een hemellichaam en een lijn getrokken naar de plaats, die H hemellichaam schijnbaar inneemt.

In Tafel XXXIII is onder het hoofd „Middelbare straalbuiging" en voor het argument „schijnbare hoogte" de correctie voor de straalbuiging gegeven.

Middelbare straalbuiging beteekent, straalbuiging bij een gemiddelden toestand van den dampkring, n.1. bij een barometerstand van 762 m.M. en een thermometerstand van 10° Celcius. Rijst de barometer, dan wordt de refractie grooter, rijst de thermometer dan wordt de refractie kleiner. De middelbare straalbuiging is voor de praktijk altijd voldoende.

3°. Het verschilzicht in hoogte.

Wanneer een hemellichaam niet op oneindigen afstand van ons verwijderd is, zal de richting, waarin wij het zien, van onze plaats op de oppervlakte der aarde, anders zijn, dan de richting, waarin het zich zou vertoonen, als wij in het middelpunt der aarde waren geplaatst. Dit verschil in zicht in Fig. 114 voorgesteld door /_AHM

Sluiten