Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemt men het. verschilzicht in hoogte of parallax in hoogte. Een hemellichaam zal zich van uit het middelpunt der aarde altijd hooger vertoonen, dan van de plaats van den waarnemer, tenzij het hemellichaam in top staat. Het verschilzicht in hoogte moet dus altijd worden opgeteld. Het verschilzicht in hoogte is nul, als het hemellichaam in top staat en het grootst, wanneer het zich in den horizon van den waarnemer bevindt. Het verschilzicht in hoogte /_ AHM(Fig. 114) mag gelijk gesteld worden aan /_ BHMen /_ BLM.

Het verschilzicht in hoogte van een hemellichaam is de hoek, waaronder van uit het hemellichaam de aardstraal bij den waarnemer zich vertoont.

In Tafel XXXVII is het verschilzicht in hoogte van de zon en de planeten gegeven. Voor de zon in de 16 kolom voor het argument „schijnbare hoogte"' en een standvastig horizontaal verschilzicht van 9"; voor de planeten, voor de argumenten „schijnbare hoogte" en „horizontaal verschilzicht". Het equ. hor. verschilz. der planeten, dat gelijk gesteld mag worden aan het hor. verschilz. vindt men in den ïfaut. Almanac.

Het equatoriaal horizontaal verschilzicht van een hemellichaam is de hoek, waaronder van uit het hemellichaam de equatorstraal van de aarde zich vertoont, wanneer het hemellichaam zich bevindt in den horizon van een waarnemer aan den equator.

Het horizontaal verschilzicht van een hemellichaam is de hoek waaronder van uit het hemellichaam de aardstraal bij den waarnemer zich vertoont, wanneer het hemellichaam zich in den horizon van den waarnemer bevindt.

Het horizontaal verschilzicht van de maan, vindt men door het equatoriaal horizontaal verschilzicht van de maan uit den Naut. Almanac, na verbetering voor den tijd Greenwich van het oogenblik van de waarneming, door middel van Tafel XLI te herleiden tot horizontaal verschilzicht.

De argumenten van Tafel XLI zijn „breedte" en „equat. hor. verschilz.". De correctie die in Tafel XLI wordt gevonden, moet worden afgetrokken van het equat. hor. versch., omdat de hoek, waaronder de equatorstraal zich vertoont, voor een hemellichaam dat in den horizon staat van een waarnemer aan den equator, altijd grooter is dan de hoek, waaronder iedere andere aardstraal bij een waarnemer zal gezien worden van uit een hemellichaam op even grooten afstand en in den horizon van dien waarnemer.

Het verschilzicht in hoogte van de maan vindt men door het horizontaal verschilzicht te vermenigvuldigen met de cosinus van de schijnbare hoogte. (Zie „nadere beschouwing der hoogteverbeteringen.)

4°. De ware halve middellijn.

De coördinaten in den Almanak zijn opgegeven voor de middelpunten der hemellichamen, waarop zij betrekking hebben; daar de middelpunten echter niet waarneembaar zijn, meet men, althans

Sluiten