Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichtbaar. * is de gegiste plaats. Trekt men de parallel tT door de gegiste plaats, dan noemt men het snijpunt T met de hoogteparallel het lengtepunt, daar de breedte van dat punt gelijk* is aan de gegiste breedte en dus alleen de lengte van het punt moet worden berekend om de ligging volkomen bekend te doen zijn.

Het lengtepunt is het snijpunt van de hoogteparallel met de parallel van de gegiste plaats.

Het snijpunt T2 van de hoogteparallel met den meridiaan tT2 gaande door de gegiste plaats, heet breedtepunt, omdat de lengte van dat punt gelijk is aan de gegiste lengte en dus alleen de breedte nog moet worden berekend.

Het breedtepunt is het snijpunt van de hoogteparallel met den meridiaan van de gegiste plaats.

Het snijpunt T\ van de hoogteparallel met den grootcirkelboog tS gaande door gegiste plaats en aardsche projectie van het hemellichaam heet hoogtepunt, omdat de ligging daarvan verkregen wordt door hoogteberekening.

Het hoogtepunt is het snijpunt van de hoogteparallel met den grootcirkelboog gaande door de gegiste plaats en de aardsche projectie van het hemellichaam.

Heeft men een hoogtewaarneming van eenig bekend hemellichaam en de M. T. Greenwich'uit aanwijzing tijdmeter met stand, dan doet de vraag zich voor, hoe zal men deze waarneming het best benutten. Men zal dus een keuze moeten doen tusschen berekening van de ligging van hoogtepunt, lengtepunt of breedtepunt. Verschillende overwegingen komen in aanmerking bij het doen van deze keuze. Voorloopig wordt hier medegedeeld dat, zooals later zal worden aangetoond, de omstandigheden voor lengtepuntberekening het gunstigst zijn als het waargenomen hemellichaam in den eersten verticaal staat en dat de omstandigheden voor breedtepuntberekening het gunstigst zijn als het waargenomen hemellichaam zich in den meridiaan bevindt. Bij keuze tusschen deze beide rekenmethoden is dus lengtepuntberekening te verkiezen als het waargenomen hemellichaam dichter bij den eersten verticaal dan bij den meridiaan is. In het omgekeerde geval heeft breedtepuntberekening de voorkeur. Dit neemt niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij zonder bezwaar berekening van het lengtepunt kan worden toegepast bij een azimuth tusschen 25° en 45° of tusschen 135° en 155°.

Berekening van de ligging van het hoogtepunt is altijd aan te bevelen, onafhankelijk van het azimuth van het waargenomen hemellichaam.

Als de ligging van een van de drie genoemde punten is berekend en in de kaart gezet, heeft men gelegenheid een lijn in de kaart te teekenen waarop de ware standplaats van het schip moet liggen. Deze lijn vervangt een klein deel van de hoogteparallel. Aangezien een hoogteparallel in de wassende kaart een kromme lijn is die moeilijk te construeeren is, vervangt men die kromme lijn, in de kaart, door een raaklijn, gaande door lengtepunt, breedtepunt of hoogtepunt, waarbij dan wordt aangenomen, dat over een klein deel,

Sluiten