Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een derde wijze van werken om de hoogtelijn te construeeren, die dikwijls gevolgd wordt is aldus:

Zooals later zal worden aangetoond geeft de waarde van A-\-B, A—B of B—A uit Tafel XII, den invloed van 1' hooger breedte op de lengte, dus ook van 10' hooger breedte op de lengte. De hoogtelijn gaat dan door het lengtepunt en door het punt gelegen op 10' hooger breedte dan de gegiste en op zooveel oostelijker of westelijker lengte dan het lengtepunt als Tafel XII aangeeft. In verband met de aanwijzing omtrent het azimuth onder aan Tafel XII en met de omstandigheid dat dit azimuth gelijknamig is met de breedte en met den uurhoek, moet dan worden uitgemaakt of hooger breedte Oost of West geeft.

Wenscht men te onderzoeken of bij zeer groote hoogte, de hoogtelijn gekromd is, dan kan men geen gebruik maken van Tafel XII, aangezien- deze Tafel punten geeft van de raaklijn aan de hoogteparallel en geen punten van dien cirkel zelf. De drie punten me*Tafel XII bepaald zouden dus in ieder geval in een rechte lijn liggen.

Tijdsbepaling.

De klokken worden aan boord zooveel mogelijk gelijk gezet met den waren tijd op den meridiaan waar men zich bevindt. Als het schip van lengte verandert, dan verandert daarmede de plaatselijke tijd. Om dien plaatselijken tijd zoo nauwkeurig mogelijk te bepalen, kan men als de omstandigheden daartoe gunstig zijn, een hoogte meten van een hemellichaam en met de gegevens ware middelpunts hoogte, gecorrigeerde declinatie en gegiste breedte den uurhoek van het hemellichaam berekenen. Men vindt dan niet den uurhoek van het hemellichaam ten opzichte van den meridiaan van de standplaats van het schip, maar ten opzichte van den meridiaan van het lengtepunt. Zie Fig. 134. In het algemeen vindt men dus ook door uurhoekberekening met de gegiste breedte geen tijd aan boord, maar tijd op het lengtepunt (tijd o. 1. p.). Alleen als het waargenomen hemellichaam in den len verticaal is, als de hoogtelijn dus samenvalt met een meridiaan en het schip zich derhalve op den meridiaan van het lengtepunt bevindt, kan men zeggen dat de tijd aan boord door de berekening bekend is geworden, altijd in de veronderstelling dat er geen fouten zijn in hoogte en declinatie.

Een zonshoogte, als dat hemellichaam zich in of zeer nabij den len verticaal bevindt (Zie Tafel XLLTI), is zeer geschikt voor tijdsbepaling. De zonsuurhoek geeft dan onmiddellijk W.T. a/b.

Natuurlijk kan men ook een ander hemellichaam, dat in of nabij den len verticaal is, observeeren. De formule

0W'P = ^W'P + ^E.O.-0E.O. komt dan weêr te pas.

Bij maanshoogte 'moet een aanwijzing tijdmeter genomen worden, om een nauwkeurigen tijd Greenwich te hebben voor het corrigeeren van R.O. en declinatie.

Hoewel men het bij zons-, planeets- of stersobservatie des noods zonder aanwijzing tijdmeter zou kunnen stellen, daar een geg. tijd

Sluiten