Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/_SPG. De gegiste lengte toegepast op den W.T.Gr., geeft den W.T. op de gegiste plaats die hier gelijk is aan den W. T. op het breedtepunt, in de figuur voorgesteld door l_SPT. Bij observatie van een ander hemellichaam maakt men weer gebruik van de formule:

^We P. = M. ©W« P. 4- M. © R.O. — % R.O., waarin +WeP. en M.©WeP. de uurhoeken zijn ten opzichte van dén meridiaan van geg. plaats en van breedtepunt. Met den uur-, hoek, de hoogte en de declinatie zijn in de aardsche projectie van den pooldriehoek SPT drie elementen bekend, waarmede de breedte van het breedtepunt op de volgende wijze kan worden berekend:

In ASPT is cos TS= cos PT cos PS+sin PT sin PS cos P sin h=sin bsind-\- cos b cos d cos P.

Beide leden der vergelijking door sind deelende is:

z=cosP cotb cos b + sin b

sind

Stelt men cosPcotdt=tg0 ■ (!)

sinh , . , sin 0 cos b-{-cos 0 sinb

dan is -r—5 = tg 0 cos b -4- sm b = ——r—

smd cosip

smh=sin{b + 0) of sin{b+ <p) = sinhcos0cosecd .... (2) sind cos0 . .

Na de berekening van 0 en b + 0 vindt men de breedte Luit de formule b =.b+0—0 (3)

De formules (1) en (2) zijn dezelfde als die welke gebruikt werden bij de berekening van de ligging van het hoogtepunt. Zij kunnen dus ook afgeleid worden op de manier die daar gevolgd werd.

Bij het gebruik der formules (1), (2) en (3) dient men op de teekens te letten. Neemt men de breedte waarop men is positief, dan moet de gelijknamige declinatie ook positief, de ongelijknamige declinatie negatief genomen worden; in verband met P> of <6U volgen hieruit de teekens van tg 0 en sin(b-\-0). Daar b-\-0 uit den sinus wordt gevonden, bestaat er twijfel of de scherpe of de stompe waarde moet worden genomen. Ook in Fig. 135 ziet men dat er twee breedten zijn, die van T en van Tx , welke uit de berekening gevonden worden. De gegiste breedte wijst aan, welke waarde men voor b-\-0 moet nemen.

De hoogtelijn.

De hoogtelijn kan in de kaart gezet worden, door in het breedtepunt, een lijn te trekken loodrecht op de azimuthale richting van het hemellichaam, waartoe het azimuth STP, Fig. 135, op de bekende wijze berekend kan worden. Ook kan men op dezelfde wijze als bij de hoogtelijn door het lengtepunt, een tweede punt van de hoogtelijn berekenen met behulp van Tafel XII, waarbij dan berekende breedte, declinatie en gegiste uurhoek de argumenten zijn.

Ook kan men drie punten van de hoogteparallel zelf bepalen, door de breedteberekening te herhalen met een lengte die 10' oostelijker, en met een lengte die 10' westelijker is dan de gegiste lengte. De laatste methode is natuurlijk omslachtig en komt alleen in aanmer-

Sluiten