Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t„T— smF 7 n j x A 1",9635 , ~tgl-tgb-tgdSech- °mdat A = tgb-tgd kan men ook schrijven

Tafel XX geeft de waarde A X p^jg = f d. i. de invloed van V verandering in lengte op de breedte, langs de hoogtelijn. Tafel XXI geeft het azimuth uit de formule —tgT=fsecb Is de uurhoek P = 0, is het waargenomen hemellichaam dus in den meridiaan van het breedtepunt, dan wordt de correctie c=0, en formule n—c=b-A-d of n—c = d—b gaat over in N=b±d °f N=d—b, waarin N de meridiaanstopsafstand van het hemellichaam is.

Is P = l minuut en verwaarloozen wij de 2e correctie bij dezen zeer kleinen uurhoek, dan wordt c=A en men heeft n—A = b-A-d of —d—b.

De coëfficiënt A is dus het bedrag, dat bij een uurhoek van één minuut van den topsafstand n moet worden afgetrokken om die gelijk te maken aan b-A- d of d—b.

Als breedte en declinatie gelijk en gelijknamig zijn dan is in de 1" 9635

formule A=j-j-—, b = d, dus tgb—tgd=0 en A dus oneindig

groot. In dit geval is de methode onbruikbaar. Is het verschil tusschen b en d gering, dan is ook tgb—tgd klein, en de waarde van A wordt zeer groot; de methode verliest dan hare nauwkeurigheid, omdat een mogelijke fout in sin. vers. P, dan met een grooten factor vermenigvuldigd wordt.

Om A te vinden gebruikt men de gegiste breedte,, die altijd bekend is.

De declinatie wordt gecorrigeerd voor den M. T., Gr. op het oogenblik van de waarneming.

De gegiste uurhoek P wordt op de bekende wijze gevonden, bij zon's observatie uit aanw. tijdm. met stand, tijdvereffening gecorrigeerd voor den M. T. Gr. op het oogenblik van de waarneming en gegiste lengte; bij observatie van een ander hemellichaam uit aanw. tijdm. met stand, de gecorrigeerde I.0R.O, de R.O. van het hemellichaam , zoo noodig gecorrigeerd en de gegiste lengte. Wij merken hierbij op, wat trouwens opgaat voor iedere gegiste uurhoekberekening, dus ook bij hoogtepuntberekening, dat men zich niet' angstvallig behoeft te houden aan de lengte uit het zuiver gegist bestek. Men neemt natuurlijk voor de gegiste uurhoekberekening de beste lengte waarover men kan beschikken. Heeft men dus betrekkelijk kort te voren de ligging van een hoogtepunt of van een lengtepunt onder gunstige omstandigheden berekend, dan gebruikt men de lengte van een dier punten, nadat de AL. uit de verzeiling tot het oogenblik van de waarneming daarop is toegepast. In ieder geval krijgt men uit de berekening, de breedte van het snijpunt van de hoogteparallel met den meridiaan, waarvan de lengte gebruikt werd voor de berekening van den gegisten uurhoek.

Sluiten