Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIENDE AFDEELING,

PLAATSBEPALING DOOR TWEE HOOGTEWAARNEMINGEN.

In de voorgaande Afdeeling is aangetoond, dat men met één hoogtewaarneming met aanwijzing tijdmeter, één cirkel op aarde (hoogteparallel) kan verkrijgen, waarop de waarnemer zich moet bevinden. Hier volgt uit dat men voor plaatsbepaling van het schip minstens twee hoogten moet hebben. Uit de snijpunten der beide hoogteparallellen volgt dan in verband met de ligging der gegiste plaats, de standplaats van het schip. Alleen in het geheel theoretisch geval, dat uit een waarneming blijkt, dat de ware hoogte van een hemellichaam juist 90° is, zou die ééne waarneming voldoende zijn voor plaatsbepaling, daar de aardsche projectie van het hemellichaam, dan de standplaats is van den waarnemer.

Voor de plaatsbepaling kan men gebruik maken van twee hoogten van hetzelfde hemellichaam met bijbehoorende aanwijzingen tijdmeter, mits het hemellichaam voldoende van azimuth veranderd is tusschen de oogenblikken van waarneming en rekening gehouden wordt met de verzeiling tusschen die oogenblikken, of wel, men kan twee hoogten (met aanwijzingen tijdmeter) nemen van verschillende hemellichamen, hetzij gelijktijdig of na elkaar. In het laatste geval moet weer met de verzeiling tusschen de oogenblikken van waarneming rekening worden gehouden, als de hoogten geruimen tgd na elkaar zijn genomen.

Daar men altijd fouten kan verwachten in het gegist bestek tusschen de waarnemingen, wanneer deze geruimen tgd na elkaar werden gedaan, zullen gelijktijdige of nagenoeg gelgktijdige hoogtewaarnemingen in den regel het nauwkeurigst bestek geven.

De berekening der standplaats kan volgens verschillende methoden geschieden. Welke wijze van berekening men ook toepast, bij gelgktijdige- of nagenoeg gelijktijdige waarnemingen, en wanneer het onbekend is of de ware middelpuntshpogten te groot of te klein zijn, zullen de omstandigheden voor plaatsbepaling het gunstigst zijn, als het verschil in azimuth der waargenomen hemellichamen 90° is.

Wanneer men na de eerste waarneming van standplaats verandert, is het niet altjjd aan te bevelen om lang te wachten met het nemen van een 2" observatie van hetzelfde hemellichaam, ten einde dichter bij het theoretisch gunstigst azimuthverschil van 90° te komen, daar de fout in het gegist bestek natuurlijk kans heeft grooter te worden, naarmate er meer tijd verloopt tusschen de beide waarnemingen. Bij „de gunstigste omstandigheden voor de plaatstbepaling door twee hoogtewaarnemingen" komen wij op dit onderwerp terug.

Sluiten