Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van 10' hooger breedte, of wel, de beide azimuths. De hoogtelijnen worden dan op de bekende wijze in de kaart gezet door lijnen te trekken door de lengtepunten, loodrecht op de azimuthale richtingen. Het snijpunt der hoogtelijnen is de standplaats van het schip. Is men tusschen de waarnemingen van plaats veranderd dan handelt men als volgt:

Na de eerste waarneming wordt de ligging van het lengtepunt berekend en dit punt, benevens de hoogtelijn in de kaart gezet. Na de 2e waarneming wordt van uit het le lengtepunt de afgelegde koers en verheid afgezet. Door het uiteinde dier koerslijn, trekt men een lijn, evenwjjdig aan de le hoogtelijn. Vervolgens wordt het 2e lengtepunt berekend (natuurlijk met de gegiste breedte der 2e waarnemingsplaats),' en het 2e lengtepunt met .2" hoogtelijn in de kaart gebracht. Waar deze 2e hoogtelijn, de evenwijdig aan zich zelf verplaatste 1° hoogtelijn snijdt, is de standplaats van het schip. Voor het uitzetten der koers en verheid tusschen de waarnemingen kan men van een willekeurig punt der le hoogtelijn uitgaan. Het is echter gemakkelijk om dit van het le lengtepunt te doen, daar men dan door kaartpassen de gegiste breedte krijgt, noodig voor de berekening van het 2e lengtepunt.

Stel dat de hoogte van een hemellichaam met aanwijzing tijdmeter is waargenomen en dat in Fig. 144, t de gegiste plaats is, P het

Fig. 144.

lengtepunt en AB de hoogtelijn. Eenige uren later heeft men een 2e waarneming. Is men nu tusschen de waarnemingen van plaats veranderd, en worden de koers en de verheid in richting en grootte voorgesteld door PP', dan trekt men door P' een lijn A'B' evenwijdig aan AB. Is dan Q het 2e lengtepunt, klaarblijkelijk op de zelfde breedte als P1 gelegen, en CF de 2° hoogtelijn, dan is het snijpunt S van CF en A'B', de standplaats van het schip. A'B'

Sluiten