Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lellen raken in de genoemde punten, worden dus in de plaats gesteld van de bogen der hoogteparallellen. Het ligt voor de hand dat hoe korter het stuk is der hoogtelijn van lengte-, breedte- of hoogtepunt tot aan het snijpunt det hoogtelijnen, d.i. tot aan de standplaats van het schip, hoe minder de kans op fouten in die standplaats zal zijn, want hoe langer dat stuk hoogtelijn is, des te verder verwijdert het zich van de hoogteparallel. Daarenboven zal een fout in het azimuth, dus in de richting der hoogtelijn, meer invloed uitoefenen op de gevonden standplaats van het schip, naarmate het genoemde stuk hoogtelijn langer is. Zij nu in Fig. 152 S de ware plaats van het schip, HH' de hoogtelijn en t de gegiste plaats, dan is dus tS de totale misgissing en volgens het vroeger geleerde, L het lengtepunt,. B het breedtepunt en M het hoogtepunt.

De hiervoor bedoelde stukken hoogtelijn volgens S., gew. S. en St. H. zijn dus achtereenvolgens LS, BS en MS.

In LLSt is LS:tS=cos<p:sinT. waaruit LS=t Scos<p cosec T.

Uit deze formule volgt, aangezien bij een klein azimuth de waarde cosec T zeer groot kan worden, dat het stuk der hoogtelijn LS bij een willekeurigen koershoek <p van t naar S, belangrijk grooter kan worden dan de totale misgissing tS.

In & BtS is BS:tS=sinCp:cosT. waaruit BS = t Ssin <b sec T.

Uit deze formule volgt dat bij klein azimuth en willekeurige hoek <£, de waarde van BS nooit veel grooter kan worden dan de totale misgissing tS, terwijl de kans grooter is dat BS kleiner zal zijn dan tS.

Fig. 152.

ff'

z

Uit de figuur blijkt dat MS nooit grooter is dan tS.

Sluiten