Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een en ander in verband beschouwd brengt ons dus tot de gevolgtrekking dat de plaatsbepaling door de SüMNERmethode, waarbij ook met klein azimuth de ligging van het lengtepunt wordt berekend, in 't algemeen genomen, wat nauwkeurigheid betreft achterstaat bij de beide andere methoden en dat wat nauwkeurigheid aangaat de gewijzigde SüMNERmethode en die volgens St. Hilaire op één lijn gesteld kunnen worden.

Volgens welke methode het vraagstuk der plaatsbepaling ook wordt behandeld, het is in ieder geval aan te bevelen, om de hoogtelijnen in de zeekaart of in een kaartnet te teekenen.

Onder de voordeden van de oplossing met gedeeltelijke constructie noemen wij vooreerst het feit dat de constructie der hoogtelijnen onmiddellijk doet zien of de snijdingshoek der hoogtelijnen al of niet voldoende gunstig te achten is, terwijl door verplaatsing der hoogtelijnen gemakkelijk kan worden onderzocht, wat de invloed zal zijn van veronderstelde fouten in de hoogten.

In de nabijheid van land of gevaren kunnen hoogtelijnen in verband met peilingen en loodingen belangrijke gegevens voor de navigatie opleveren, terwijl zij in 't algemeen een sneller en gemakkelijk overzicht geven van de navigatie van het oogenblik, dan mogelijk is bij volledige berekening.

Als men naar aanleiding van twee gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige hoogtewaarnemingen twee hoogtelijnen in de kaart heeft geteekend, dan is het snijpunt van die hoogtelijnen de plaats van het schip, als de beide hoogten en azimuthen goed zijn en de M. T. Gr. uit aanwijzing tijdmeter met stand juist is. Fouten in de declinatie zijn niet waarschijnlijk, of zoo klein dat zij verwaarloosd kunnen worden. De hoogten kunnen echter te groot of te klein zijn, en al zijn die hoogten door een zelfden waarnemer gemeten, geeft dit nog geen zekerheid dat beide hoogten te klein, of beide hoogten te groot zullen zijn. Om dus in het algemeen te onderzoeken wat de invloed zal zijn van fouten in de hoogten op de plaats van het schip, zet men de grootste fout die men in de hoogten mogelijk acht, aan weerszijden van de hoogtelijnen in de azimuthale richtingen af, waarvoor de breedteminuten der kaart genomen moeten worden voor de breedte waarop men zich bevindt. Trekt men door de aldus verkregen punten lijnen evenwijdig aan de hoogtelijnen, dan zijn dat de grenzen waarbinnen de juiste hoogtelijnen gelegen zijn en de zes elkaar snijdende lijnen, vormen een in vier deelen verdeelde ruit, waar binnen de ware plaats moet gelegen zijn als men aanneemt dat de M. T Gr. juist is. Wanneer de hoogtelijnen elkaar onder een hoek van.90° snijden, als dus het verschil in azimuth der waargenomen hemellichamen 90° is, dan zal de ruit een vierkant zijn. Het is duidelijk dat in dit geval, foutieve hoogtelijnen de minste verplaatsing van het snijpunt ten gevolge zullen nebben; de ruimte waar binnen de ware plaats moet liggen is dan het kleinst. Naarmate het azimuthverschil nadert tot 0° of 180°, naarmate de hoogtelijnen elkaar dus onder een scherper hoek snijden zal de ruit meer en meer uitgerekt

Sluiten