Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de waterdeeltjes C en B zijn geen krachten werkzaam, die de aantrekkingskracht der aarde vermindert; die deeltjes worden door de volle aantrekkingskracht der aarde vastgehouden.

Voor alle waterdeeltjes der halve bol CDB, zal de aantrekkingskracht der maan grooter zijn dan de m. p. vl. kr. en de verschillen dier krachten zijn grooter naarmate de deeltjes dichter bij D liggen. Voor alle waterdeeltjes der halve bol CDB zal de kracht waarmede de aarde die deeltjes aantrekt, minder zijn dan die waarmede C en B door de aarde wordt aangetrokken en de verschillen zijn grooter naarmate de deeltjes dichter bij D liggen. Het resultaat moet dus zijn dat het water van de halve bol CDB wordt opgestuwd , door de van D naar C .en naar B toenemende krachten, waarmede de verschillende waterdeeltjes door de aarde worden aangetrokken.

De waterdeeltjes der halve bol CEB worden door de maan aangetrokken met krachten die kleiner zijn dan de m. p vl. kr., met grooter verschillen naarmate de deeltjes dichter bij E liggen. Ook hier dus verminderde aantrekkingskracht van de aarde op de waterdeeltjes naarmate zij dichter bij E liggen en even krachtige opstuwing van het water der halve bol CEB als dat van de halve bol CDB. Er vormen zich derhalve bij D en E twee vloedgolven en bij B en C twee ebdalen.

Door de aswenteling der aarde verplaatsen beide vloedgolven zich over de aarde en was deze overal bedekt met een laag water van gelijke diepte, dan zouden de hoogste punten dier vloedgolven zich bevinden, waar de maan in boven- of beneden doorgang is.

Op dezelfde wijze kan verklaard worden, hoe ook de zon twee diametraal tegenover elkaar gelegen vloedgolven doet ontstaan. Het volgende zal echter doen zien dat de oorzaak die de zonsvloedgolf doet ontstaan, belangrijk minder krachtig is dan die welke de maansvloedgolf in 't leven roept.

Noemt men de kracht welke de maansvloed doet ontstaan V, dan is dus V gelijk aan het verschil in aantrekkingskracht door de maan uitgeoefend op de punten D en A, Fig. 155. De aantrekkingskracht door de maan uitgeoefend op het punt A is evenredig aan de massa m der maan en omgekeerd evenredig met het vierkant van den afstand a der zwaartepunten van maan en aarde. De aantrekkingskracht der maan op A kan dus worden voorgesteld door

de uitdrukking terwijl de kracht waarmede de maan het deeltje

D aantrekt wordt voorgesteld door ;—mals r de aardstraal is.

(a—r)2

De oorzaak V die de maansvloedgolf ten gevolge heeft, vindt dus haar uitdrukking in de formule:

V=- — 7r=m ] (a—r) 2—a 2 \.

(a—r)2 a2 ( )

Sluiten