Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder de Engelsche kust het getij met de wijzers van het horloge, onder de Fransche kust daarentegen tegen de wijzers van het horloge.

Bij de Noord-Hinder en Schouwenbank draait het getij tegen de wijzers van het horloge. Bij het lichtschip van de Maas en Noordelijker langs de kust met de wijzers van het horloge.

Volgens de waarnemingen a/b van het lichtschip van de NoordHinder komt daar het Noordgaand tij dus de vloedstroom door, ruim 11 uur na maansdoorgang, in de richting Oost (r. w.) met een gemiddelde snelheid van ongeveer \ zeemijl per uur; de snelheid neemt nu geleidelijk toe, en bereikt haar maximum lu30m na den volgenden maansdoorgang met een gemiddelde snelheid van ongeveer 1^ zeemijl per uur, terwijl de richting van den stroom dan ongeveer NNO (r.w.) is, om daarna af te nemen en weer haar minimum te bereiken 5 uur na maansdoorgang, terwijl de richting dan ongeveer WNW (r. w.) is.

Het zuidgaand tij komt door ruim 5 uur na maansdoorgang in de richting West, neemt toe, en bereikt haar.maximum ongeveer 8"30n' na maansdoorgang met een gemiddelde snelheid die iets minder is dan het maximum Noordgaandtij, terwijl de richting dan ongeveer ZZW is.

De stroom verandert het langzaamst van richting als de snelheid het grootst is. De grootst waargenomen snelheid in de vijf waarnemingsjaren van 1890 tot en met 1894 was voor het Noordgaand tij 2\ zeemijl, voor het Zuidgaand tij 2\ zeemijl per uur, in beide gevallen met springtij; het eerste met storm uit het ZW, het tweede met langdurig doorstaande harde NO winden.

Het havengetal van den Noord-Hinder is 1 uur. Het is hoog water ongeveer \> uur vóór het oogenblik van maximum snelheid van het Noordgaand tij; laag water ongeveer \\ uur' vóór het oogenblik van maximum snelheid van het Zuidgaand tij. Het verval is gemiddeld ongeveer 35 d.M. De ouderdom van het getij is 48 uren.

De getijden op de Nederlandsche kust worden door twee verschillende getij golven beheer scht, nl. het Kanaaltij en het Noordzeetij, terwijl de vloed- en ebstroomen, of het zoogenaamde snelheidstij, ook grooten invloed heeft op het verval.

Het Kanaaltij is het getij dat naar Dover toestroomt, zoolang het water te Dover rijst en van Dover afvloeit, zoolang het water daar daalt. Dit getij beheerscht grootendeels den waterstand langs de Zeeuwsche en Hollandsche kusten.

Het Noordzeetij is de getijgolf die, uit den Oceaan komende, zich langs Schotland in de Noordzee voortplant. Door de Doggersbank, die als golfbreker werkt, wordt de getijgolf gedwongen zich Zuidwaarts langs de Schotsche en Engelsche kust te bewegen. Ten ZW van Doggersbank splitst dit getij zich in twee takken, waarvan de eene bezuiden Doggersbank naar de NW kust van Duitschland trekt, terwijl de andere verder zuidwaarts langs de Engelsche kust loopt. Deze laatste tak trekt voor een deel, evenwijdig aan de strekking der kustlijn Hull-Cromer de Noordzee over om onder een bijna rechten hoek de Hollandsche kust te treffen, terwijl een

Sluiten