Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er bestaat n.1. het volgend verband tusschen deze drie grootheden: waterstand=amplitudo X cos phase.

Hieruit volgt dat de bovengenoemde waterstand gh = AP cos 240° = ==~APcos 60° = -± AP. Tafel L (getijden S2 en KA, maakt de vermenigvuldiging van het amplitudo met cos phase voor de berekening van den waterstand onnoodig. Deze Tafel geeft voor de argumenten „uren na H.W." in de zijkolommen en amplitudo den ge vraagden waterstand.

Voorbeeld.

Als het amplitudo van het getij S2 38 cM. is, wordt gevraagd de waterstand te 4U N. M. Tafel L geeft voor de genoemde argumenten —19 c.M. °

De hiervoor genoemde beschouwing is ook van toepassing indien het getijveroorzakend hemellichaam de denkbeeldige maan M9 is

Evenals bij het getij S2 heeft men dan twee diametraal tegen over elkaar gelegen golftoppen, langs den equator loopende van Uost naar West. In de getijperiode komt nu echter veranderingdeze is n.1. met meer gelijk aan 12% maar gelijk aan een halve maansdag of 12,4206 middelbare zonne-uren. De phaseverandering

per uur is derhalve niet meer 30°, maar —36°° . — 98° 9841

12,4206 ' *

Voorbeeld.

Als het amplitudo van het getij M2 50 c.M. is en het ten 8U maanshoogwater is geweest, wordt gevraagd de waterstand van het getij M2 ten 10 uur.

?n Taï1 L iftÖ ^4/indt meu voor de argumenten amplitudo = 50 c.M. en2u na H.W. een waterstand van +27 cM

uur do —28 ,984 = 1°,016 meer bedraagt dan bij het getij M, zal als op een bepaalden dag het maanshoogwater op den middelbaren middag valt, den volgenden middag de phase nog 24X1° 016 = 24° 38 moeten toenemen voor dat het weer maanshoogwater is, den daarop Volgenden dag 2X24°,38 enz. Dit aantal graden, aangevende de verandering die de phase van het maansgetij, op den middelbaren middag, nog moet ondergaan voordat het maanshoogwater is, wordt het astronomisch argument (V) van het maansgetij genoemd.

Daar het astronomisch argument regelmatig toeneemt, kan het gemakkelijk jaren vooruit berekend worden. In Tafel XLVII vindt ?w i a80tronomifhe argumenten op 1 Januari voor de jaren 1917-1948 zoowel van het maansgetij als van de getijden der andere denkbeeldige hemellichamen, voor den meridiaan van Greenwich berekend. Wil men voor een andere plaats het. astronomisch argument op 1 Januari bepalen dan moet op overeenkomstige wijze als bij het berekenen van maansdoorgangstijden op het astronomisch argument voor Greenwich een correctie voor de lengte worden toegepast, althans voor die getijden waarvan de omloopstijden belangrijk van 12 of 24 uur verschillen, dat zijn de getijden M2, N en O

Sluiten