Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mer van Koophandel in het begin van het jaar 1814 werd, uitgesproken, toen zij in overweging gaf de regeling betreffende den zouthandel met Engeland uit te stellen, „totdat.... een commercietractaat kan worden tot stand gebragt" *), ging men niet. Zeker heeft de regeering in dezen tijd geene pogingen in deze richting in het werk gesteld; hier overheerschte het gevoel, dat men voorloopig genoeg had gedaan en wilde men de verdere ontwikkeling in het buitenland afwachten.

Daar kwam het vertrouwen in eigen kracht bij, een gevoel, dat vooral bij den koning aanwezig was. Daarnevens ook wel de tegenovergestelde opvatting, dat het met het machtige Brittanje gevaarlijk onderhandelen was; had niet het verdrag van 1814 betreffende de teruggaaf van de koloniën bewezen, dat wij slechts te aanvaarden hadden, wat deze natie voorschreef? De ervaring, toen opgedaan met de Kaap en sommige West-Indische koloniën, werkte nog tientallen van jaren in onze buitenlandsche politiek na.

En aan den anderen kant? Engeland kon nauwelijks den wensch koesteren door een handelsverdrag Nederland nader te treden; het had immers voor een groot deel verkregen, wat het in deze jaren wenschte: een liberaal grensrechtehjk systeem in Nederland, in 1816 opnieuw bevestigd, daarnevens een vrijen doorvoer, slechts belast door een matig recht *), voor het debiet van zijn producten in de Duitsche landen van groot belang.

Bovendien, met de Engelsche wenschen werd, ook zonder verdrag, zorgvuldig rekening gehouden, zooals de houding van Nederland in het vraagstuk van den zoutaanvoer aantoonde. Ten einde retourvrachten aan de Nederlandsche schepen naar Spanje, Portugal en Frankrijk te verzekeren, was het vandaar afkomstige ruwe zout bij invoer in Nederland minder belast dan dat uit Engeland afkomstig was. Deze regeling dateerde reeds van 1725, toen de laatste algemeene tarief lijst was opgesteld. Een hota van Clancarty, den Britschen ambassadeur te 's-Gravenhage, had in het begin van 1814 bij van Hogendorp naar de reden van deze verschillende behandeling geïnformeerd *). Trots de verklaringen van de Kamers van Koophandel van Amsterdam en Dordrecht, dat geen middel meer geschikt was om de belangen van de

') No. 8.

*) Het recht bedroeg 3%. — Art. 162 van de wet van 3 October 1818, Stbl. no. 53. s) No. 5.

Sluiten