Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toepassing van dit wederkeerigheidsbeginsel bij de heffing der lastgelden, gaf in 1818 aanleiding tot het stelling nemen van de Nederlandsche regeering tegenover het Engelsche gouvernement. Het onderzoek, wie volgens de tariefwet van 1816 de verminderde lastgelden betaalden, deed zien, dat hiervoor Amerikaansche, Bremer, Hamburgsche, Lübecker, Pruisische, Hannoversche, Mecklenburgsche, Oldenburgsche, Oostfriesche, Noorsche, Oostenrijksche, Russische en Syrische schepen in aanmerking kwamen, maar dat er verschil van meening bestond ten opzichte van de Deensche, Portugeesche en Engelsche. Hier komen alleen de laatste voor ons in aanmerking. Verschil ontstond er al naar gelang men als „lasten" alleen de lastgelden beschouwde, of ook alle andere rechten, die in het buitenland van schepen werden geheven. In Engeland werden van de Nederlandsche schepen wel geen meerdere „lastgelden" (tonnage money) dan van de nationale gevorderd, maar de vreemde schepen waren er onderworpen aan de betaling van de z.g. Trinity dues 1), en verder aan hoogere vuurgelden eh aan een één-vierde verhooging van het bedrag der loodsgelden.

Tegenover de enge opvatting van Buitenlandsche Zaken1) stond die van den koning en van Falck. De laatste heeft in Zijn rapport van 13 Augustus*) het standpunt verdedigd, dat de tekst *) de opvatting vorderde, dat er in Engeland geen hoogere scheepsrechten, van welken aard ook, mochten worden geëischt dan van nationale schepen. Er bestond echter tegen een optreden tegen Engeland door ontneming van de bestaande begunstiging het bezwaar, dat daardoor een conflict zou ontstaan. Vandaar dat Falck den koning voorstelde „ernstige vertoogen te doen" tegen het voortdurend verschil in de in Engeland geheven scheepsrechten, hoe ook genaamd, en op een wederkeerige gehjkstelling aan te dringen, maar tevens stelhg te verklaren, dat, zoo de op gronden van wederkeerigheid gereclameerde gehjlcstelling niet zou kunnen worden verkregen, de Engelsche schepen van 1 Januari 1819 af weder aan de betaling van

i) Op blz. 49 staat foutief als bedrag dezer rechten voor een bepaald scheepstype £ 13.19 aangegeven; het moet zijn £ 31.19. *) No. 26.

3) No. 27.

4) alwaar van de Nederlandsche schepen geen meerdere of andere lasten dan

van eigene schepen worden gevorderd".

Sluiten