Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verhoogde lastgeld zouden worden onderworpen. Met dit advies heeft de koning zich vereenigd1), ten gevolge waarvan op 24 September 1818 Robert Fagel aan Bathurst, den Britschen staatssecretaris van Oorlog en Koloniën, een nota heeft overhandigd*), waarin hij verzocht de reciprociteit te verkenen, eraan toevoegende, dat, indien deze niet zou worden toegestaan, de koning zich genoodzaakt zou zien deze gunst van den genoemden termijn af voor de Engelsche schepen te doen ophouden.

De Britsche regeering heeft geen haast gemaakt op deze nota van antwoord te dienen; zij heeft het Nederlandsche gouvernement zijn gang laten gaan, en dit heeft, na een hernieuwd schrijven aan den ambassadeur, waarbij het onderwerp nogmaals in zijn aandacht werd aanbevolen, aan het dreigement gevolg gegeven en de maatregelen tegen de Britsche scheepvaart genomen, die in het vooruitzicht waren gesteld.

Eenige jaren is de toestand zoo gebleven; de Britsche regeering wenschte niet incidenteel een wijziging in de bestaande rechten te brengen; juist in dezen tijd voltrok zich bovendien de ontwikkeling tot een vrijere handelspolitiek, waarvan Huskisson de vertegenwoordiger was. Eerst in 1822 werden hiervan de gevolgen merkbaar. In het derde regeeringsjaar van George IV werd bij de wet bepaald, dat aan de Nederlandsche zoowel als aan de Britsche schepen ontheffing van alle lastgelden zou worden verleend. Toen op grond hiervan de Britsche zaakgelastigde in den Haag, Chad, verzocht aan de Britsche schepen in de Nederlandsche havens een gelijke vrijstelling te verkenen, is dit niet ingewilligd; terecht, daar, zooals van Nagell opmerkte *), de Britten dan in betere conditie zouden komen dan de Nederlandsche vaartuigen; in overeenstemming met zijn advies is hun echter gelijkstelling met de nationale schepen verleend*).

Tot bijzondere moeilijkheden heeft deze zaak dus geen aanleiding gegeven; toch is zij, naar ik meen, ook uit een algemeener oogpunt van belang. Immers, het is niet onwaarschijnlijk, dat de gunstige wending, die het geschil der tonnegelden tusschen Engeland en Nederland heeft genomen, waarbij gebleken was dat de

') K.B.van 19 Augustus 1818.— R.A., Buitenlandsche Zaken, exh. 22 Augustus 1818, no. 3259.

2) No. 28.

3) No. 31.

*) K. B. van 30 September 1822; hierachter no. 33.

Sluiten