Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 17. — 1816, Februari 27. — de kamer van koophandel

te amsterdam aan van nagell -).

Wij veroorloven ons onder den aandacht van U. Exc. te brengen, dat ingevolge eenige bij de commercie ingekomene berichten de Iersche kooplieden bij het Britsch gouvernement met de meeste nadruk aandringen, teneinde de invoer van vreemde boter in Engeland geheel belet of dat dezelve teriminsten met eene buitengewoone verhoging van regten bezwaard worde, hetgeen echter, tegen het belang der Engelsche koopüeden zijnde, door dezelven op eene niet minder krachtige wijze wordt tegengesproken.

De onzekerheid omtrent den uitslag van deze wederkerige pogingen brengt de Nederlandsche belanghebbenden in eene voor hen zeer pijnlijke verlegenheid, naardien het bestaan van duizenden der onderdanen van Z. M. van de beslissing dier zaak afhangt.

Het zou overbodig zijn aan het doorzicht van U. Exc. in t breede te ontvouwen alle de algèmeene voordelen en menigvuldige middelen van bestaan, welke de rijke boterband*tin deze landen daarsteld en tewegebrengt, dewijl de noordelijke provinciën drie vierde van dit eigen product naar Engeland uitvoeren en met het overige aan alle de behoeften der binnenlandsche consumptie kunnen voldoen. Deze uitvoer bedraagt in de provincie Vriesland alleen ongeveer 100.000 vierendeels vaten, en dierhalve zou eene stremming of stilstand daarin ontwijfelbaar voor die provincie in 't bijzonder van de bedenkehjkste gevolgen zijn en hare eigene daartoe bepaaldelijk ingerichte scheepvaart geheel kunnen vernietigen. Deze handel is ook nog voor dit rijk in 't algemeen van zoo een groot belang uit hoofde van het aanmerkelijk gewigt, dat dezelve,in de groote schaal des handels legd en van de onmeetelijke voordelen, welke uit dusdanig eene wijze van betaling aan den buitenlander voortvloeyen.

Wij kunnen nogthans niet ontveinsen, dat de voordelen, welke de uitvoer van boter aan het rijk der Nederlanden opleverd, van geenen invloed kunnen zijn op de beraadslagingen van het Britsch gouvernement, en wij vermeenen hierom veeleer onze hoop te mogen vestigen op de naauwe en vriendschappelijke betrekkin-

») r. a., Buitenlandsche Zaken, exh. 29 Februari 1816, no. 802.

Sluiten