Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen, nog rniddelen in overvloed hebben om de wederzijdsche betrekkingen, door verdere uitbreiding van hun prohibHkf >gtelsel, te beperken en dat, indien zich dezelve door onverhoedsche maatregelen beleedigd kwamen te achten, de verwijdering ligtelijk nog grooter en het kwaad, dat men heelenwil, ongeneeslijk worden zoude.

Wij behoeven echter deze overdrevene denkbeelden niet te bestrijden, daar U. M. zelve bereids het gezichtspunt heeft aangewezen, waaruit de bepaling van art. 9 behoort beschouwd te worden *). Zij zoude namelijk de aanleiding en grond kunnen opleveren voor onderhandelingen met vreemde mogendheden, en ten oogmerk hebbende om deze van hare prohibitieve en voor handel en verkeer schadelijke maatregelen terug te brengen door het besef, dat derzelver onderdanen anders niet op den duur van de mildheid der Nederlandsche wetten en tarieven genot zouden kunnen hebben.

Ten aanzien voor eene dier mogendheden, namelijk Pruissertbevinden wij ons in eene bijzondere omstandigheid, welke niet uit het oog mag worden verloren.

Drie of vier jaren geleden had men zich wederzijds geneigd verklaard om een commercie-tractaat aan te gaan. De onderhandelaars waren benoemd, maar de Pruissische, die herwaarts komen moest, heeft zich nimmer op reis begeven2). Misschien heeft men te Berlijn bij nader inzien beter geacht het nieuwe stelsel3) zonder eenige wijziging een geruimen tijd te laten werken, teneinde deszelfs strekking en gevolgen met volledige kennis van zaken te kunnen beoordeelen, maar noch deze noch eenige andere reden van het achterblijven van den heer Delius is ons ooit officieel medegedeeld. Van onze zijde heeft men zich zulks eenigszins kunnen getroosten, sedert dat in 1820 4) de plannen tot rijpheid kwamen van eene geheele hervorming in ons eigen systema, maar thans,

») Van Nederlandsche zijde waren in 1819 C van der Meersch en W. G. van de Poll, van Pruisische zijde Delius, voorzitter der Rijnvaartkommissie te Mainz, tot onderhandelaar aangewezen. Zie ook Zimmermann, Geschichte der preuszisch-deutschen Handelspolitik, bic. 103.

•) Bedoeld is de wet van 26 Mei 1818, in werking getreden (R. A. Buitenlandsche Zaken, exh. 4 Januari 1819, no. 26.) op 1 Januari 1819. Zie het artikel van G. Fischer „Ueber das Wesen und die Bedingungen eines Zollvereins", in Jahrbücher für N. O- u. Stat., II, blz. 317 v.v.

•) Falck, Gedenkschriften, blz. 350.

Sluiten