Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zal dus wel geen betoog behoeven, dat de koning met alle ernst begeert met de belanghebbende mogendheden te kunnen overeenkomen tot het wegnemen van de punten van bezwaar, waarover de Nederlanden bij derzelver vrijgevig stelsel, vergeleken met dat van andere staten, te klagen hebben, en zich niet dan ongaarne in de noodzakelijkheid bevinden zoude om over te gaan tot de toepassing van het beginsel van wederkerigheid, waartoe evenwel het belang van het rijk en de bepalingen der wet van 26 Augustus 1822 H, D. zoude verpligten en waartoe dan ook reeds van nu af aan de noodige maatregelen worden voorbereid.

Wat nu in het bijzonder het verkeer met Groot^Brittanje betreft, men kan niet ontkennen, dat Nederland over de z.g. handelsbalans met Engeland minder dan voorheen te klagen heeft. De meeste Nederlandsche voortbrengselen vinden in dat rijk eene altijd gereede en doorgaans voordeelige markt.

De schors, meekrap, vlas, koeken, boter, kaas enz. worden bestendig en in aanzienlijke hoeveelheden derwaarts uitgevoerd en niets kan vermoeden, dat men op het weeren derzelve bedacht is. Wel is waar, dat de strekking der Britsche wetten min gunstig is voor de voorwerpen onzer kunstvlijt, maar zulks is van oudsher "het geval en ten deze komt in aanmerking, dat gedurende de jongst verloopene jaren langzamerhand de invoer verminderd is van een artikel, dat de Engelsche manufacturiers voornamelijk gewoon waren op de Nederlandsche markten te slijten, te weten de katoene lijnwaden, hebbende de Nederlandsche fabrikanten, begunstigd door de beschermende regten op den invoer, door de lage prijzen der grondstof en door de wisselkoers en naauwkeuriger bekend geworden met nieuwste werktuigen, de zwarigheden overwonnen, die de ieder hunner overzeesche mededingers hun bij het herstel van den vrede in den weg had gelegd.

Overigens al ware er iets bedenkelijks of nadeeligs in de handelsbetrekkingen met Engeland, de omstandigheid, dat de bewindvoerders in dat rijk, op den raad der kundigsteschrijvers en op de publieke meening steunende, reeds met der daad getoond hebben de wetten van uitsluiting zooveel mogelijk te willen wijzigen en matigen en dat zij verder aankondigen de buitenlandsche scheepvaart allengskens van de lasten te zullen ontheffen, die denzelven drukken, maakt het verkiesselijk om in een wachtende

Sluiten