Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII. ONDERHANDSCH AANBOD OVER EEN HANDELSVERDRAG.

No. 59. — 1822, December 8. — van hogendorp aan den

koning

In een brief uit Londen *) wórdt mij in vertrouwen gevraagd naar mijn opinie, of ons ministerie genegen zoude zijn, om in een commercie-tractaat met Engeland te treden, gegrond op principes van reciprociteit. De schrijver is een koopman, die veel geraadpleegd wordt door de Board of Commerce, en hij heeft de hand gehad in de laatste bekende bill op den koophandel'). Indien U. M. begeerde om door Engeland aangezocht te worden, zoo zoude mijn antwoord op de gedane vraag daartoe kunnen leiden. Zoo niet, valt het mij gemakkelijk, mij van een antwoord te verschoonen. De reciprociteit zoude iri ons voordeel zijn met opzigt tot het verschil van de regten op goederen, in Britsche of Nederlandsche schepen geladen. In Engeland is dit verschil groot, tot ons nadeel. Onder ons is dit verschil pas ingevoerd en gering. Niet anders is het met de zaak in Oost-Indië gesteld, en ook daar zijn wij veel zwaarder gedrukt door de Engelschen dan zij door ons. Behalve deze treffende gevallen zijn er nog onderscheiden zijden van het beginsel van wederkeerigheid, die aandacht schijnen te verdienen. Doch ik heb er genoeg van gezegd om mij te regt vaardigen, dat ik deze zaak onmiddelijk ter kennis van U. M. gebragt heb.

No. 60. —1822, December 13. — van nagell aan den koning*). . De nevensgaande missive *) van den graaf G. K. van Hogen-

*) Uit 's-Gravenhage. — R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 12 Dec. i8a2,1. S. 4842. *) Ontbreekt.

') De drie wetten, die in 1822 de navigatie-wetten wijzigden (cap. 41—43), zijn bedoeld.

') Uit Brussel, confidentieel. — R. A-, Buitenlandsche Zaken, r3 Dec. 1822, U. S. 3321. *) No. 59.

Sluiten