Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorleden Maandag >) bet budget van 1824 heeft ontwikkeld, zal U.Exc. nüssclnen den paragraaf hebben opgemerkt over hetgene plaats vindt, wanneer de invoer van eenig Engelsch voortbrengsel op het vasteland zwaar belast wordt: „Our ambassador is instructed to state to the foreign court, at which he resides, that the new duty imposed is very injurious to british interests and is viewed by this country in an unhiendly hght. The answer of the foreign minister of course must be: it may be so, we cannot help it; fof how can we admit your goods, if you do not admit ours ? With suchareply the british ambassador.must make his bow and retire óliscornfited and ashamed; and I defy the ingenuity of man to in* vent. an argument to refute the powerful argumentum ad hominem of the foreign minister".

i €ebjk ik onderstellen mag, dat mijne gesprekken met deze en gene leden van het kabinet over commercieele zaken aanleiding tot die uitdrukkingen gegeven hebben, zoo heb ik gedacht er op mijne beurt aanldding uit te mogen nemen om bij den heer Hus* Irisson, president of the Board of Trade, inlichtingen te vragen over Engelands bedoelingen ten aanzien der kwestiëh, aanvankelijk behandeld hn mijn schrijven van den 2oen Januari j.1.«). Uit zijne antwoorden is mij gebleken, dat men hier gaarne mededeelingen ontvangen en discuteren zal, waarvan het oogmerk zoude zijn om de prohibitieve regten, die den invoer van sommige onzer voortbrengselen beletten of drukken, tot eene matige hoogte te verminderen, tegen eene wederkeerige ontlasting van eenige Britsche artikelen bij ons. De bate, die de massa der consommateurs en de handel in 't algemeen bij zoodanige schikkingen ondervinden zouden, wordt hier gerekend een voldoend argument te zullen opleveren tegen de bevooroordeelde reclamatièn, die de belanghebbende manufacturisten niet zouden nalaten in het midden te brengen. Maar of dit ook met ruimte van Nederland gezegd worden kan, vordert nog een opzettelijk onderzoek, zooals ik in bovengemeld schrijven met aanhaling van ettelijke voorbeelden te kennen gaf, en van de uitkomst van zoodanig onderzoek hangt, onder verbetering, de beantwoording der vrage af, of ter voorschrevene zake eenige opening en zoo ja, welke aan het Engelsche ministerie behoort gedaan te worden.

x) 23 Februari 1824. *) Zie no. 63.

Posthumus. g

Sluiten