Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 65. —1824, Maart 9. — reinhold aan den koning

U. M. verlangd hebbende mijne gedachten te vernemen over den inhoud der missive van den heer Falck aan den heer de Mey van den 26en Februari 1.1.2), zoo neme ik de vrijheid de hiernavolgende aanmerkingen daarover aan H. D. oordeel te onderwerpen.

De onderwerpen in gemelde missive behandeld, zijn de hierna volgende drie:

ie. Het verlangen van Engeland, zich met Nederland te verstaan over de wederkeerige vermindering der prohibitive regten op eenige koopmanschappen.

De heer Falck zegt, dat de beslissing der vrage, of ter voorschrevene zake door ons eenige opening behoort gedaan te worden, van een voorloopig onderzoek afhangt.

En zulk onderzoek zoude alleszins raadzaam, ja, noodzakelijk zijn. Degenen, aan wien U. M. hetzelve zal gelieven toe te vertrouwen, zullen 0. a. daarop hebben te letten, dat Frankrijk en zelfs een gedeelte van onze manufacturisten niet in het geval komen nog luider als tot dusverre over onze begunstiging van den Britschen handel te schreeuwen. Het staat overigens te bezien, of de Britsche rninisters met de reeds voorgestelde verrnmderingen van regten op eenige artikels zullen doordringen, vermits, blijkens de jongste Londensche nieuwstiklingen, vrij sterke reclamatiën daartegen te berde gebragt waren.

2e. De vrage der intrekking der 10 %, aan de nationale vlag toegestaan, en de daaruit voortvloeyende volkomene gelijkstelling van wederzijdsche regten, naar het voorbeeld eener deswegens tusschen Engeland en Pruissen op handen zijnde overeenkomst').

De heer Falck zegt, dat het aan het Engelsch ministerie aangenaam zijn zoude, indien hij bij zijne terugkomst in Londen eenige tot die zaak betrekkelijke instructiën medebragt.

Het schijnt buiten twijfel, dat de bedoelde 10 %, aan de nationale vlag toegestaan, de volkomene gelijkstelling van regten illusoir maken. Het Departement van Nationale Nijverheid of wie anders U. M. zoude kunnen willen raadplegen, dient zich daarvan te doordringen, ten einde een beslissende keuze aan te raden.

3e. De zaak der Rhijnvaart. —

l) R. A., Buitenlandsche Zaken, 9 Maart 1824, no. 6. *) Zie no. 64. ') Zie hiervóór, blz. 114, noot 2.

Sluiten