Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 79. — 1824, Juni 18. — FALCK AAN VAN RËEDE

Mijn no. 98»), welke U. Exc. met de gewone post van voorleden Dinsdag zal zijn ter hand gekomen, behelsde het verslag eener conferentie, door mij over commercieele aangelegenheden met de heeren Canning en Huskisson gehouden.

Wat dienvolgens, behoudens beter oordeel, in de eerste plaats zal moeten worden overwogen, is de oorbaarheid eener afzonderlijke en voorafgaande onderhandeling over de gelijkstelling der vlaggen. Het is mij bekend, dat Z. M. tijdens het arresteeren mijner instructie tot het denkbeeld overhelde om alles bij eene en dezelfde conventie te regelen. Misschien echter was zulks het gevolg niet zoozeer van eene gevestigde opinie omtrent een noodzakelijk en onmisbaar verband tusschen die voorwerpen, als van een besef van het onvoegzame van de zijde der Engelschen om aan te dringen op een schikking omtrent zaken, die hun nu bijzonder ter harte gaart, terwijl zij een diep stilzwijgen hielden omtrenten de wenken en ouvertures, hun van onzë zijde gegeven en gedaan. Doch de indruk dezer onvoegzaamheid zal nu grootelijksverminderd zijn, zoo niet geheel weggenomen, door de toezegging van een antwoord, en wel van een gunstig antwoord, op de nota van den baron Fagel *), en in deze onderstelling blijft er slechts te onderzoeken, of men ook vreezen moet, dat het Engelsch ministerie niet ter goede trouw is, zoodat het eens de conventie over de gelijkheid der regten van de wedettSjdsche vlaggen tot stand hebbende gebragt, niet dan schoorvoetende in de onderhandeling over de verrnindering der regten op de f abriekgoederen voortgaan en den afloop daarvan zooveel mogelijk vertragen zoudt. Voor zoodanige vreeze betuige ik geenen grond te zien. Huskisson, Wallace4) en al wie hier op zaken van dezen aard een aanmerkelijken invloed uitoefent, stellen er hun roem in om handel en industrie hoe eer hoe hever uit de banden van het prohibitive stelsel te slaken. Maar in de taak, die zij uit diepe overtuiging van de deugdelijkheid en toepasselijkheid der vrijgevige beginselen op zich hebben genomen, worden zij niet weinig belemmerd door de klagten en bewegingen van hen, wélke zich verbeelden bij dat prohi-

*) Uit Londen, no. 100. — R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 22 Juni 1824, no. 20. •) No. 77. ») No. 58.

') Zie hiervóór, blz. 110, noot 3.

Sluiten