Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een bezwaar te onderwerpen, gelijkstaande met de voordeelen, die zij in onze havens boven de Engelsche geniet. Ik heb onverwijld getracht den heer Canning te spreeken, doch hij bevond zich in den kabinetsraad, die lang scheen te moeten duren, en het is dus niet waarschijnlijk, dat ik U. Exc. heden nog stellig zal kunnen melden wat het voornemen is. Daar men zich van de Britsche zijde bij herhaling bereid verklaart om het beginsel der gehjkstelling in werking te brengen, zoude het bedoelde bevel in rade slechts een temporair en zelfs, zoo het Z. M. behaagt, een zeer kortstondig effect hebben, en misschien ware er eenig voordeel in van bij eventueele discussiên bij de Staten-Generaal te kunnen aantoonen, dat de onderhandeling tot wijziging van no. 10 der algemeene bepalingen van het tarief >) door een maatregel gelijk deze voorafgegaan en als het ware uitgelokt was. Doch ik mag mij aan den anderen kant niet ontveinzen, dat dezelve uit een staatkundig oogpunt eenen gantsch niet wenschelijben mdnik zoude maken en daar dit het zwaarste bij mij weegt, denk ik den heer Carming hoe eer hoe liever te doen weten, dat ik op grond van voorloopige en onderhandsche berigten vertrouwen mag binnen weinige dagen last te zullen ontvangen tot het onderhandelen over de gelijkstelling der wederzijdsche vlaggen, met uitdnikking mijner hoop, dat de zaken inmiddels niet buiten haren tegenwoordigen staat zullen worden gebracht. Ik zal hierop dan morgen, indien het nog tijd is, nader mondeling aandringen en achte het overbodig U. Exc. te verzoeken om bij te dragen, dat mij 's kcnings decisie op den inhoud mijner missives van 15 en 18 Juni jl.'), zoodra mogelijk kunnen worden medegedeeld.

No. 86. — I824, Juh' 20. — FALCK AAN VAN REEDE 3).

Het schrijven, dat ik U.Exc. voorleden Vrijdag4) meldde aan den heer Canning te zullen doen afgaan, is juist van pas gekomen om de uitvaardiging van het bevel in rade te beletten. Het was inderdaad gereed en moest niet alleen een bezwaar van 10 % op de Nederlandsche vlag behelzen, maar ook een uitgaand regt op het zout, welk met vreemde schepen vervoerd wordt. Ik heb, toen

*) Van 26 Augustus 1822. (Stsbl. no. 39.) *) Nos. 77, 79. *) Gedrukt: Falck, Ambtsbrieven, blz. 198. — Ook R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 24 Juli 1824, no. 12. 4) 16 Juli 1824; zie no. 85.

Sluiten