Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik naderhand voorn, heer en den heer Huskisson zag, hen willen doen gevoelen hoe strijdig dit laatste met het belang van Engeland zelve was, dewijl wij dan het zont zouden gaan halen van Marennes en andere Fransche plaatsen; doch de reclamatièh der scheepsreeders heten hun, zeiden zij, geene keuze, en bij deze gelegenheid heb ik twee dier reclamatiën, juist den vorigen dag bij het ministerie ontvangen, onder de oogen gehad en moet bekennen dat beide, de eene was van Liverpool en de andere van Londen, zeer dringende waren en met gestadig beroep op de ons bekende parlementsakte*).

Gisteren, na het ontvangen en aandachtig lezen uwer depêche no. 912), heb ik mij opnieuw naar het Foreign Office begeven en aldaar met beide de reeds gemelde ministers en dezen voormiddag met den heer Huskisson alleen de onderhavige materie breedvoerig besproken. Maar het is ons niet mogelijk geweest tot eenig voldoend resultaat te komen of tot eene wegruiming van de zwarigheid, die uit de omstandigheid ontstaat, dat de wetgeving wederzijds eene zoo verschillende strekking heeft. Want evenals het ontegenzeggelijk is, dat het Nederlandsch gouvernement bedenking maken moet om deszelfs onderdanen, direct of indirect, de voordeden te doen derven, die hun bij de wet zijn toegelegd, zoo moet men ook, aan de andere zijde, erkennen, dat het Britsche kabinet gebonden is door de stellige bewoordingen der parlementsakte, naar welke het hun b.v. niet zoude vrijstaan onze schepen van hunne discriminating duties vrij te stellen, zoolang wij onze nationale vlag blijven begunstigen omtrent den aanvoer van het zout. In den geest dier akte kan, volgens de meening van den heer Huskisson, geene conventie gesloten worden, tenzij men daarbij wederkeerig de vlaggen in het transport der Europische producten gelijk stelt; en toen ik hem de woorden: „which may be legally imported and exported in foreign vessds" tegenwierp, verzekerde hij mij, dat deze restrictie Azië, Afrika en Amerika betrof, maar dat de bestaande wetten geene vreemde bodems van den aanvoer van voortbrengselen van ons werelddeel uitsluiten.

Z.M. zal mij het regt doen van te gelooven, dat ik het niet aan aandrang heb laten ontbreken om de uitvaardiging van het raadsbevel, in den hoofde dezes gemeld, terzijde te doen stellen, totdat

l) Van 18 Juli 1823; zie blz. 116, noot 4. ! No. 83.

Sluiten