Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan aandrang heeft laten ontbreken om de uitvaardiging van het bovengedachte raadsbevel ter zijde te doen stellen, totdat men het eens zoude zijn geworden over eene conventie, bepalende zoowel eene vermindering van inkomende regten als de geHjkstelling der vlaggen, doch dat de Engelsche heeren het voor onverantwoordelijk houden om hetzelve, ten onzen respecte, tot een zoo onzeker en misschien verwijderd tijdstip te laten slapen en dat wel te midden van aanhoudende klagten en vertoogen van hunne belanghebbende landgenooten; dat intusschen vanwegen die heeren, daags na de eerste conferentie, als redmiddel het denkbeeld was geopperd, dat U. M. provisioneel het effect der teruggave van de 10% zoude doen ophouden tegen verband van de Engelsche zijde om, zoodra mogelijk, in onderhandeling te treden over een commercie-tractaat in zoodanigen wijden zin als H. D. verlangt, terwijl al het overige en o.a. de zoutvaart inmiddels zoude blijven in den tegenwoordigen staat.

De inhoud dier depêche bewijst al verder, dat de ambassadeur hoezeer dezelve, om daarbij aangevoerde redenen, meent dat ons belang vordert in het voorstel te komen, evenwel niet ontveinst, dat de bepaling van art. 10 der wet van 26 Augustus 1822 tendezen al wederom zoo niet een onoverkomelijk beletzel, ten minste eene zwarigheid oplevert, die hem huiverig maakt om dat-voorstel te ondersteunen, hopende, dat men in «s Hage een middel zal weten uit te denken om dezelve te doen vervallen; gevende hij ten slotte te kennen, dat de Engelsche heeren hun doel voor bereikt zouden houden, hetzij dat men aan de Engelsche schepen mede 10% teruggaf, hetzij dat men de Nederlandsche, die op Engeland varen en terug, voortaan van die teruggave geen genot het hebben, alsmede dat, voor zooverre het aannemen van het Engelsche conciliatoir raadzaam worde geacht, de zaak door een paar te wisselen nota's zoude kunnen worden tot stand gebragt. Het is aan de beide voorgenoemde heeren, evenals aan mij, toe■ geschenen dat, vermits het aangaan eener conventie over de gehjkstelling der vlaggen en over de handelszaken tevens voor het tegenwoordige niet tot stand zal komen, men in den geest van het 2e hd der aanschrijving aan den ambassadeur Falck van den i6en dezer >) het daarheen zoude kunnen brengen, dat zonder de bestaande wettelijke bepalingen uit het oog te verhezen, worde voor-

') No. 83.

Sluiten