Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer Huskisson naar het vasteland vernomen en daaruit bereids afgeleid hebben, dat er vooreerst aan het sluiten eener conventie niet te denken valt, want, hoezeer men het ook over den inhoud deszelven hoofdzakelijk eens moge zijn, komt het niettemin bijzonder aan op de bewoordingen en de heer Canning zoude, vooral wanneer hij onze reserve hoorde voorstaan van den handel buiten Europa, daarbij niet gaarne de voorlichting en raad missen van den ambtgenoot, die met Pruisen en de andere noordsche mogendheden voor diergelijke conventiëh onderhandeld heeft. Zeer welkom was mij dus de autorisatie om de zaak desnoods door te wisselen nota's af te doen. Ik zal mij morgen met het opstellen der mijne bezighouden en dezelve m dier voege trachten in te rigten, dat de heer Canning weinig of niets behoeve te veranderen aan het ontwerp van antwoord, hetwelk reeds onder de oogen des konings en H. D., naar het schijnt, niet ongevallig geweest is. Het zal wel eenige bedenking bij hem baren, dat er van eene aanteekening der 10% in debet van de Engelsche reeders gesprokén wordt, doch ik zal mijn best doen om begrijpelijk te maken, dat deze schikking ten oogmerk heeft om zich de eventuele inning dier 10% te verzekeren dan wel om het gouvernement vrij te waren van alle klagten wegens de miskenning van het voorregt, dat de wet aan de nationale vlag heeft toegedacht.

En dit houde ik ook in gemoede voor het doel van Uwe Exc. en de andere heeren ministers bij het adviseeren tot zoodanige wijziging van het conciliatoir. Want wilde men in onze havens door het vorderen van cautie of andere formaliteiten aan de belanghebbenden zelve te zeer doen gevoelen, dat zij vroeg of laat de 10% nog kunnen hebben bij te passen, zoo zoude deze onzekerheid aanleiding geven om bij voortduring de Nederlandsche bodems boven de Engelsche te verkiezen, terwijl het juist de bedoeling van het ministerie alhier is om denzelven in den regel gelijkop te doen varen. En met deze consideratie staat in verband iets dat ik omtrent het bedingen van gelijke debitering van het regt voor de boter, onder Nederlandsche vlag aangebracht wordende, te zeggen heb. Is het te onderstellen, dat men bij ons wederom schepen voor die vaart werkzaam maken zal onder de kans om bij het mislukken der handelingen tusschen de twee gouvernementen het volle regt te moeten na betalen,dat den aanvoer onder vreemde vlag thans drukt? Zoo neen, dan zal Uwe Exc. zonder twijfel

Sluiten