Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 1031. — 1825, Maart 4. — elout aan van reede1).

Uwe Exc. heeft mij een en andermaal, laatstelijk bij vertrouwelijken brief van 18 Februari»), aangezocht om mijne gedachten mede te deelen nopens de onderhandelingen, met Engeland tot het sluiten van een handelsverdrag aan te knoopen.

Het zijn niet alleen de veelvuldige en belangrijke werkzaamheden, welke mij sedert eenen geruimen tijd in de beide hoofdafdeelingen van mijn departement bezig houden, die mij verhinderd hebben op deze zoo gewichtige als tedere stof eene onverdeelde aandacht te vestigen, maar de moeilijkheid om in overeenstemming met alle hiertoe betrekkelijke omstandigeden tot een bepaald besluit te komen is en blijft ook na de meest gezette overweging bij mij overgroot.

Uit uwen zoo even aangehaalden brief is mij gebleken, dat de ambassadeur Falck, door den heer Huskisson aangesproken, eenige voorloopige denkbeelden en zelfs eene eerste schets heeft ten papiere gesteld om verder tot een leiddraad der onderhandelingen te kunnen dienen, hoezeer deze mededeeling als geheel onverwaardelijk en niet officieel moest beschouwd worden.

Gaarne had ik die denkbeelden en schets onder de oogen gehad. Deze stukken zouden onsjzekerlijk veel licht hebben gegeven.

Nu zullen wij de bedenkingens), welke de heer Falck bij zijnen brief aan Uwe Exc. van 17 Augustus 1824 heeft kenbaar gemaakt, dienen te overwegen. Deze bedenkingen evenwel iscnijnen tot geene bepaalde uitkomst te leiden, en waarlijk, dit is niet te verwonderen. Het punt, waarvan men moet uitgaan, is meer „het aandachtig nagaan der staten van invoer (zegt de heer Falck) en het vergelijken van derzelver resultaat met den wezenlijken toestand onzer concurrerende fabrieken kan alleen tot een gegrond oordeel leiden van hetgeen in dezen te doen staat".

Nu is het ter gelegenheid van onze onderhandelingen met Frankrijk gebleken, hoe gebrekkig in het algemeen, maar bijzonderlijk bij ons de kennis van den waren staat van in- en uitvoer is 4). Ik wil hierdoor niet verstaan worden te gelooven en ik vermoed ook niet, dat de meening van den heer Falck daarhenen

*) r. A., Waterstaat 2567.

*) Aanwezig in de op blz. 177, noot r, vermelde portefeuille. *) No. 96. *) In het jaar 1824. De besprekingen liepen voor een deel over de handelsbalans der beide staten.

Sluiten