Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de belanghebbenden eenen onaangenamen mdruk zou kunnen maken. Maar ziedaar dan weder de strijd tusschen :b$to>ndere belangen, die, zoo de zaken uit geen runner oogpunt mogen beschouwd worden, niet is bij te leggen en alle onderhandelingen zóu moeten doen verschuiven, want die zwarigheden gelden toch niet alleen ten aanzien van de voortbrengselen van den grond, maar ook van die van alle andere nijverheid. De fabrikanten van'katoene lijnwaden, van lakens enz. zullen toch even ongaarne de vermindering van de inkomende regten op. deze voortbrengselen van vreemden oorsprong zien als de eigenaars van kolen- en ijzermijnen voor hun vak.

Moeten wij dus (ik mag dit herhalen) op alle deze bijzondere en hetzij dan in waarheid of in schijn tegenstrijdige belangen letten, dan vrees ik, of men wel ligtelijk tot een handelsverdrag komen zal. Wanneer Nederland de bescherming voor zijne lakenen, voor zijne katoene lijnwaden en welke andere voorwerpen meer, zoekt in een hoog inkomend regt van de Engelsche voortbrengselen, dan zal Engeland ook van zijne verbodswetten op hooge regten op linnens, lakenen, kanten en wat dies meer is, niet terugkomen, en het laat zich aanzien, dat men van de reeks der voorwerpen, welks invoer aan de eene en andere zijde gemakkelijk zal gemaakt worden, niet zeer aanzienlijk zal rijn j daar waar men zich onderling zal treffen, zal dit welligt ten koste van andere ber langen of aanspraken plaats hebben en dit zal in de gegeven omstandigheden eene schijn van ongehjke bedeeling op de afdoening werpen.

Het zij mij Vergund Uwe Exc. hier te herinneren al wat bij de onderhandelingen met Frankrijk heeft plaats gehad; tegen de geheele mtrekking van de verhoogde regten bij de wet van Januari 1824 *) op den invoer van sommige Fransche goederen wilde men van de Fransche zijde wel eenige artikelen van het bezwaar ontheffen, maar op zeer vele wilde men niet terugkomen, en ziedaar, waarom men die orkierhandelingen tot nu toe tot geen goed einde heeft kunnen brengen.

Wanneer nu daartegen eene meer algemeene en ruimere beschenning ten grondslag gelegd wordt, dan schijnen die bijzondere bedenkingen niet zoo zwaar te wegen.

»j Wet van 8 Januari 1824 (Stsbl. no. 4), die het K. B. van 20 Augustus 1823 (Stsbl no. 34) verving.

Sluiten