Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat een zeer voornaam huis te Londen, van hetwelk hier ter stede een belangrijke tak bestaat, eenige jaren geleden bij de Engelsche regeering zeer vele pogingen heeft aangewend om de voortbrengsels van Jamaica, maar inzonderheid van Demerary, Essequebo en Berbice, regtstreeks naar dit rijk te mogen voeren, doch dat de Britsche regeering dit toen volstandig geweigerd heeft. Er bestaat derhalve bij mij geen de minste twijfel, of een goed getal Engelsche schepen zullen derzelver ladingen, in die koloniën ingenomen, hier te lande ter markt brengen; verscheiden der Engelsche geldschieters zullen hiertoe genoopt worden door de voorschotten, welke zij dadelijk op hunne producten bekomen, maar ook, omdat dezelve voor een groot gedeelte op het vasteland moeten gesleten worden en hier te lande met oneindig minder kosten kunnen worden opgelegd.

In de schikkingen omtrent de koloniën in de West zie ik dus weinig zwarigheid. Maar anders is het met die in de Oost. Het komt mij voor, dat de Britsche regeering ons voor een geheel vrije vaart in de Oost geen billijk equivalent kan aanbieden. De handel, welke wij op de Bengalen kunnen drijven, komt in geen vergelijking met dien, welke onze O.-I. bezittingen aan Engeland aanbieden. Komt men met een cargasoen te Madras of Calcutta, dan kan men daar het medegebragte veilen, maar niet anders dan aan kooplieden, welke aldaar geëtablisseerd zijn, welke, niet groot in aantal, zich onderling weten te verstaan ten aanzien van den prijs, en daar er geene mogelijkheid is om in het land zelf door te dttegen en zijne waren te veilen, ziet men zich genoodzaakt te verkoopen op den voet, zooals de Bengaalsche koopheden het begeeren. Het gaat evenzoo met het inkoopen van hetgeen men terug wil brengen

Onze O.-I. bezittingen, uit het Engelsch beheer overgenomen, zijn wat de hoofdplaatsen betreft wezenlijk verengelscht geworden; vele Engelsche kooplieden, hoewel in de Nederlandsche bezittingen gevestigd, hebben hun radicaal als Engelsche koopheden en onderdanen niet afgelegd. Er bestaat derhalve die coalitie niet als in Madras of Calcutta: de Engelsche koopman, die op Java, Sumatra en andere onzer eilanden handel drijft, vindt aldaar zijne landslieden gereed om hem ten dienste te staan, ja hem behulpzaam te zijn in den sluikhandel.

Ik zie dus waarlijk niet, hoe men omtrent dezen handel tot

Pötthumu3.

Sluiten