Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kingen omtrent het zout als een hoofdmiddel om onze reederijen» te alimenteeren en voorziet zeer slechte gevelgen, indien onze schepen het kwijt raken. De heer van Ouwerkerk de Vries, een man, wien het ook niet schemert *), denkt er nagenoeg op dezelfde wijs over. De heer Jan Hudig*) stelt er minder zwarigheid in en is van gedachten, dat de Engelsche reeders op het zoutvaren naar onze gewesten niet zeer gezet zullen zijn. Ik ben het in dezen met de heeren van Harlingen en van Amsterdam, en niet met den heer Hudig eens. In allen gevalle hechten de Engelschen er zeer veel aan; zij zijn er op gezet, dat hun zout zooveel mogelijk worde uitgevoerd en ook hunne schepen daartoe vrijheid hebben. Dit punt en de opheffing van ons tiende gedeelte op de regten meene ik dat voldoende wapenen rijn om bedingen te maken voor onze scheepvaart.

Eens heb ik eene alhier ingenomen lading tarwe zien terugkomen, welke men in Engeland voor Russische herkend had, welke niet mogt worden ingevoerd dan met Engelsche schepen of met schepen van de vlag van het land, waar de tarwe gegroeid was en regtstreeks uit de haven van oorsprong. Evenzoo wierd Amerikaansche terpentiji!, met een Britsch schip van hier in Engeland gebragt om een betere markt te zoeken, van Londen teruggezonden, blotelijk omdat er eene bepaling bestond, dat Amerikaansche producten, zonder eene speciale permissie, niet uit dit rijk in Engeland mogten worden ingebragt. Blijven wij aan dergelijke bepalingen onderworpen, dan bestaat er geen genoegzame grond om aan de Britsche schepen meerdere voordeden toe te staan

Niet altijd heeft men in Engeland de vreemde schepen hoogere regten doen betalen op zekere inkomende goederen; het is eerst sedert 1814, dat men van lieverlede dit heeft ingevoerd. Het is wel zoo, dat men deze bepalingen van toepassing gemaakt heeftop alle natiën zonder onderscheid, maar wie opmerken kon, zag wel dat boter, kaas, gezouten huiden, vlas, grootendeels uit ons rijk werden ingevoerd, en dat men dus wel degelijk het op ons gerëfiSBt had. Wanneer men nu van de Engelsche zijde, door de gelijkheid van de vlag te willen, alleen verstond het opheffen van die vermeerderde bezwaren, om daartegen nog onbepaalder vrijheid voor de Engelsche bij ons te bedingen, dan waren wij mijns in-

J. Van Ouwerkerk'de Vries, schrijver van een „Verhandeling over den Nederlandschen koophandel" (1827). *) Koopman te Rotterdam.

Sluiten