Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het oogmerk van U H.E.G. ter mededeeling van eenige punten, die casu quo bij het onderhandelen over een commercie-tractaat met Engeland, in aanmerking zouden behooren te komen, verschillende bedenkingen hadden doen ontstaan.

Ik heb geene zwarigheid gemaakt aan al de leden der Directie, van wier proefondervindelijke kunde in den handel en discretie ik overtuigd ben, de mededeeling van dit belangrijk stuk te doen; doch zijn deze met mij van gevoelen geweest, dat, hoe wenschelijk ook de daarstelling van een zoodanig tractaat zijn zoude en hoe genegen men oók van beide zijden moge zijn om de daarbij bestaande hinderpalen uit den weg te ruimen, er echter vele bijzondere punten zijn, die, van beide kanten, zoodanig met het staatkundig stelsel en de vastgestelde inrigtingen dezer beide rijken in verband staan, dat daaromtrent moeyehjk eene eenparigheid kan gevonden worden.

Verder is het ook niet te loochenen, dat er zelfs van onzen kant verschillende punten bestaan, omtrent welke de gevoelens en belangen, hetzij van de verschillende havens des rijks, hetzij van den handel aan de eene of het fabrykwezen aan de andere zijde, zoozeer uiteenloopen, dat het voor mij, als aan het hoofd eener inrigting staande, welke met voorbijzien van locale belangen alleen de algemeene welvaart moet helpen bevorderen, bezwaarlijk vallen zoude een oordeel te vellen, hetwelk niet het een of ander gevoelen meer bepaaldelijk zoude schijnen te begunstigen.

Ik acht het derhalve onnoodig om in al die bijzonderheden te treden, welke U H.E.G. met meerdere naauwkeurigheid uit de verschillende belanghebbende plaatsen dan uit mijnen meer centralen werkkring kunnen worden opgegeven.

Dientengevolge op de meer algemeene beschouwing volgens den door U H.E.G. gegeven leiddraad terugkomende, zoo geloof ik, dat, wat het ie en 2« punt betreft, de gehjksteüing, voor zooveermcgelijk, van regten en lasten voor de schepen der beide natiën het bijzonder wenschelijk is, dat daaromtrent een stelsel van eenparigheid wederzijds worde aangenomen; en onze scheepvaart staat ook tegen die der Engelschen in den tegenwoordigen tijd in eene zoodanige verhouding, dat het te verwachten is, dat die bepalingen, welke vroeger door de vrees voor onze mededinging ontstonden, eindelijk geheel zullen vervallen. Wat aangaat het 3<2e punt, zoo heeft de ondervinding geleerd, dat de ver-

Sluiten