Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen Nederland en Groot-Brittanje aan Deensche, Hanoversche en Pruissische schepen zoude kunnen toevallen, ja zelfs aan Fransche, indien men eene conventie met Frankrijk tot stand bragt, iets waartoe men bij deze gelegenheid geinsinueerd werd, dat de kans als minder hopeloos te beschouwen was dan te voren *).

Uwe Exc. vergunne mij van hier nog melding te maken van eene kleine uitboezeming van den heer Canning, die, hoewel niet bepaaldelijk tot de zaak behoorende noch zelfs emstig gemeend, echter zeer geschikt is om de dorheid van dit, mijn verslag, een weinig op te frisschen. Er was quaestie geweest van de opinies der belanghebbenden in Engeland, van de noodzakelijkheid om zich niet tegen dezelve aan te kanten, in één woord van de populariteit — een denkbeeld, dat zich bij Britsche ministers, vooral wanneer het tijdstip eener generale electie begint te naderen, nog al dikwijls opdoet.

Ik had herinnerd, dat de publieke stem ook in mijn land iets geldt en dat er nog andere vergaderingen dan het Parlement zijn, in welke men de vrijheid neemt van den gang en de maatregelen der regering toe te lichten en te beoordeelen. „Zoo gaat het", riep toen Z.Exc. uit, „de geleerden bij ons dringen er op aan, dat wij op het vasteland de ontwikkeling der constitutioneele regeringsvormen begunstigen, en hebben wij naderhand iets te schikken of te onderhandelen, zoo is het juist in die constitutioneele landen, dat onze politiek de meeste zwarigheden te overwinnen heeft"! Ik had kunnen vragen, of koning Ferdinand *•) dan zooveel gemakkelijker te hanteren valt dan zijne gewezen Cortes, doch eene opzettelijke discussie kwam niet te pas en ik heb mij dus bepaald tot het uiten mijner hoop, dat, niettegenstaande al die zwarigheden, de heer Canning edelmoedig genoeg zoude zijn om voor de handhaving en casu quo voor de uitbreiding van dat lastige systema te waken.

Overhoops had het gesprek allengskens, toen het eerste gevoel der teleurstelling verdwenen was, eene zachtere wen ding gekregen. Ik heb daarvan gebruik gemaakt om, overeenkomstig het eerste gedeelte uwer aanschrijving, de verdere gelijkstelling der eigentlijke scheepsregten, zooals loods- en havengelden enz., in het

*) Zie hiervóór, bh. 264, noot I. *) Ferdinand VII yan Spanje.

Sluiten