Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te lande van de vreemde scheepvaart boven de Nederlandsche geheven wordende te verkrijgen.den Nederlandschen handel met een soortgelijk bezwaar bedreigd heeft1).

Alle welke overwegingen schijnen te leiden tot de conclusie, dat het niet doelmatig zou zijn een hooger tarief in de Nederlanden in te voeren met oogmerk om eene vermindering van 't zelve aan zoodanige mogendheden, waarmede men zich zou kunnen verstaan, aan te bieden.

No. 147. — 1826, Januari 14. — stratenus

AAN verstolk8).

Ter voldoening aan het verzoek, vervat in Uwe Exc.'s missive van den 3en dezer *), heb ik de eer Uwe Exc. kennis te geven, dat het naar mijn inzien niet voegzaam noch raadzaam schijnt vooralsnog tot bepaalde maatregelen te besluiten, zoolang van Engelands zijde de bedreigde stap niet werkelijk is gedaan. Ik zoude uit dien hoofde oordeelen, dat het verkieselijker zal

zijn —1 om ten aanzien nadere en stellige berigten in te

wachten, alvorens tot de intrekking van het besluit van den xien Augustus 1824') over te gaan.

No. Ï48. —1826, Januari 16. — de mey van streefkerk

AAN verstolk').

Z. M. kan over het algemeen wel toegeven aan het aangevoerde door het Departement van Buitenlandsche Zaken, bij deszelfs rapport van den 13e» dezer <■), ten betooge van het minder raadzame om voor het Nederlandsen tarief eensklaps een tegenovergesteld hoofdbeginsel aan te nemen van dat, waarop hetzelve thans rust.

Aan de nu onlangs gedane voorstellen tot wijziging van het tarief zal dan ook in den geest van het daartoe aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden ontwerp verder gevolg worden gegeven').

*) Nos, 86, 9a. *) r. A., Waterstaat 3567.

») r. A., Buitenlandsche Zaken, 3 Januari 1826, no. 6 Geheim.

*) No. 94.

*) r. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 19 Januari 1826, no. 36.

•) No. 146. ') Zie blz. 301, noot 1.

Sluiten