Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nader moeten blijken en ik voor mij kan niet zoo gereedelijk als Uwe Exc. de rescriptie van den President der Kamer van Koophandel x) aannemen als nadrukkehjke vertoogen der zoo belangrijke stad Amsterdam. Er zijn nog zeker in die stad ondernemende koopheden, voor welke het openen van nieuwe uitwegen geene onverschillige zaak is, en al mogten zij toevallig minder vertegenwoordigd rijn dan de huizen, die bij den beperkten handel op Suriname wel varen, hunne stem, die op de beurs nog niet van allen invloed beroofd is, behoort ook bij het opperbestuur des rijks naar waarde te gelden.

Ik zoude denken, dat van hen niet alleen, die de betrekkingen tot Demerary en Berbice onderhouden, maar ook van de weinigen, die expeditièn doen naar Curacao, de Havana enz. bijzonderheden te vernemen zouden zijn, veel nuttiger in de toepassing op het vraagstuk, dat ons bezighoudt, dan generalia over de veerkracht en rijkdom der Britten, die óf ten deze niet genoeg bewijzen óf tot de troostelooze uitkomst leiden, dat wij tegen die naburen op het terrein van den algemeenen handel geenerhande mededinging kunnen uithouden.

De verder aan mij toegezondene adviezen *) waren wel vele in getal, maar doorgaans minder uitgewerkt en beredeneerd dan men zich wa. rschijnlijk bij het vragen derzelve voorgesteld had te mogen verwachten. Ook wordt in de meesten het wijzigen van het Reglement voor Surinamen op zichzelve beschouwd en beoordeeld, afgezonderd van en buiten verband met de uitbreiding, die onze scheepvaart door de openstelling van zoovele Engelsche bezittingen te beurt vallen kan.

Met meer genoegen las ik het gecombineerde schrijven van den minister van Marine en Koloniën en van den Staatsraad, Administrateur voor de Nationale Nijverheid, in dato 5/7 October 18258). Volkomen eenstemmig met de ruime en een land zooals het onze waardige beginselen, aldaar op den voorgrond geplaatst, vond ik slechts te beklagen, dat die staatsambtenaren niet van den beginne af onder de oogen hadden gehad de verordeningen op den invoer in de Engelsche koloniën, zooals die al tezamen voorkomen in de sedert door mij o vergezondene parlementsakte 114. Vele der door hen in het midden gebragte twijfelingen zullen bij

*•) No. 127. *) Nos. 1x9, 124, i«7, 133 en 137. •) No. 129.

Sluiten