Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX. DE HOUDING DER NEDERLANDSCHE REGEERING TEGENOVER DE ORDERS IN COUNCIL.

No. 154. —1826, vóór Januari 30. — advies van een handelsvriend aan j. hudig over de engelsche eischen *).

Indien ik de voorsteüen van den heer Huskisson wel gelezen heb, dan hangt het van ieder volk zelve af om met betrekking tot vaart en handel met de Engelschen op gelijken voet te komen, door aan deze dezelfde privilegiën toe te staan, die bij zodanig volk worden genoten, en om die voor ons te verkrijgen zouden wij dus alleen maar afstand hebben te doen van zodanige bij ons bestaande bepalingen, die op de Engelsche vaart en handel gezegd kunnen worden te drukken, als daar zijn de regten op het zout, de suiker, melassen, steenkolen, het privilege aan de Hollanders uitgaande en de vaart op onze koloniën en bezittingen.

Wat het zout aanbelangd, dunkt mij, dat de invoer daarvan met Engelsche schepen zou kunnen gelijk gesteld worden met die onder de Nederlandsche vlag.zonder dat daaruit voor ons eenig merkelijk nadeel zou voortvloeyen. Want behalven dat de Engelschen maar zeer weinig schepen hebben, die tot het vervoeren van klipzout rijn geschikt, zoo is de vragt, die er aan te bevaren m van zoodanig weinig beduidenis, dat een Engelsch schip er met door kan bestaan en de uitvragten van hier te gering en te onzeker om een Engelsch schip te animeeren op het vooruitrigt van eene retourvragt naar hier te komen. Ook kunnen de Engelschen het nimmer op goede gronden als een articul van speculatie aan handen nemen, en het alzoo voor eigen rekening moetende ontboden worden, heeft men het altijd in züne macht de uitvoering der order tot Nederlandsche schepen te bepalen.

Met betrekking tot de suiker is het tegenwoordig bestaand

l) R. A., Waterstaat 2567. Posthumus.

Sluiten