Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dewijl het Engelsche gouvernement op de zaak van de wederzijdsche openstellingen niet schijnt aan te dringen, er dezerzijds geene redenen bestaan om derzelver afdoening te bespoedigen, in de eerste plaats dat, ten einde de onderhandelingen met Engeland in het bijzonder ten opzigte van de gehjkstelling der loods-, baken- en havengelden, hetgeen voor onze scheepvaart van veel belang zijn zoude, niet als afgebroken te beschouwen, het naar mijn inzien geschikt zoude zijn om dat gouvernement eenig, al ware het dan ook niet bepaald antwoord te geven, en het welligt als noodig kon gerekend worden den heer Falck met de wijze van beschouwing dezer zaak bij het Nederlandsche gouvernement eventueel bekend te maken.

Ik vermeen alzoo Uwe Exc. in bedenking te moeten geven om in stede van aan den minister van Buitenlandsche Zaken voor. te stellen om aan de zaak vooreerst geen gevolg te geven, dezelve naar aanleiding van de missive van dat departement van den zen Januari 1.1.x) na het toekomen der verlangde inlichtingen een punt van verder gemeenzaam overleg te maken, terwijl voor zooverre de Administratie van de Nationale Nijverheid betreft, ik mij vlei door ingenomene berigten betrekkelijk de scheepvaart en den handel op Suriname tot de behandeling van dit onderwerp thans genoegzaam voorbereid te zijn.

No. 157. —1826, vóór Mei 19a). — memorie wegens de scheepvaart met engeland ').

Wanneer de gelijkheid der vlaggen wordt ingevoerd, dan mogen wij in Engeland tot dezelfde regten onze producten invoeren als zulks met de Engelsche vlag zelfs geschiedt, en zij wederkeerig hier te lande en dan ook het zout.

De vrees, dat de Engelsche scheepsreeders zich dan van den zouthandel en zoutvaart zullen meester maken, is maar al te gegrond. Het laat zich reeds van voren vermoeden, dat men er van de Engelsche zijde een zeer aanmerkehjk voordeel in zien moet, want anders zoude men er niet zoo sterk op aandringen, en

') Zie blz. 308, noot 3.

') R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 30 Mei 1826, no. 21/1. — De steller is niet bekend; waarschijnlijk is het Frans Smeer, die te Rotterdam woonde en op Engeland handel dreef, evenals de schrijver van dit stuk.

*) De memorie is vermeld in een schrijven van Falck van 19 Mei 1826.

Sluiten