Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ons stelsel van in- en uitgaande regten op een middel gedacht werd om onze kwijnende scheepvaart, ware het mogelijk, eenigermate te doen herleven, en de moedeloosheid, onder de zeehandelaars en reeders door eene al te onbeperkte mededinging van vermogende naburen teweeggebracht, te verclrijven.

Hiertoe strekke het navolgend overzigt.

De korting van 10% op het bedrag van regten voor den inen uitvoer onder nationale vlag, werd in 1822, toen het voorstel daartoe gedaan was, bij onze zeehandelaars als een zeer geringe bescherming aangezien tegen de mededinging der vreemde vlaggen, doch naderhand, en eenmaal in het genot van die bescherming, zijn zij er zoo onverschillig niet over gebleven, getuige de Kamer van Koophandel en Fabryken te Antwerpen, welke zich in eene onlangs aan Z. M. ingediende memorie aldus uitlaat: „Onze scheepvaart heeft zich werkehjk verbeterd door de vernündering van 10 % op de regten voor uit- en ingevoerde goederen, welke zij boven andere natiën geniet, en het is wenschelijk, dat ons gouvernement nog langen tijd dit voordeel zal kunnen handhaven." Onze kooplieden zouden het nu als een wezenlijk verhes opgeven, wanneer zij andermaal in dat opzigt op gelijken voet als de vreemdelingen werden behandeld, die niet gezind zijn om iets hoegenaamd toe te geven en zich niet ontzien om onzen handel door verbodswetten en hooge regten te drukken en het ons bovendien ten kwade duiden, dat op het bedrag van zeer lage regten eene geringe korting, als premie of aanmoediging, aan de nationale scheepvaart ten deel valt.

Ware het mogelijk dit onderscheid te doen ophouden en iets in de plaats te stellen, waardoor onze navigatie er niet bij kon verhezen, dan zou het een onverschillig punt worden, daar hetzelfde doel door andere middelen zou bereikt worden; maar dit laat zich eer wenschen dan hopen. Immers zou het altijd een verschil blijven uitmaken tusschen den in- en uitvoer onder nationale en ond' r vreemde vlaggen, en, onder welke benaming dan ook, zou het altijd dat verschil zijn, waardoor de vreemden zich bezwaard zouden rekenen, terwijl het voor onuitvoerlijk mag gehouden worden om eenige premie of korting zoodanig te omkleeden, dat men er in zou slagen om de vreemdelingen met eene uitlegging genoegen te geven, welke aan het wezen der zaak geene verandering zou toebrengen.

Sluiten