Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarentegen kan de bestaande korting tegen een billijk equivalent ook aan de buitenlandsche vlaggen worden aangeboden, en dan, is het een punt en middel tevens van onderhandeling, terwijl het, bij een onvoorwaardelijke intrekking, een geschenk zou worden, waartegen niets over staat.

Bij de beschouwing van dit onderwerp moet almede niet uit het oog verloren worden dat, eenmaal het onderscheid van de 10% opgeheven, de weg gebaand is om meer te vragen en de vorderingen door hetzelfde grondbeginsel te verdedigen. Men weet toch wel buitenslands, en vooral in Engeland, dat, onverminderd de algemeene korting van 10%, sommige artikelen bij ons tarief aan lagere regten onderworpen zijn bij den invoer in nationale, dan in vreemde schepen, en het is zeer duidelijk, dat juist onder die artikelen voor Engeland de steen des aanstoots gelegen is. Men stelle zich derhalve niet voor, dat de gehjkstelling der vreemde vlaggen met de nationale, in zoover de betaling der regten in het algemeen betreft, dat is in opzigt tot de korting van 10%, voldoende zijn zou om de klagten te doen ophouden; integendeel, het zal juist door soortgelijke toegeefhjkheid bewerkt worden, dat men op de intrekking van alle verschil in de regten zal aandringen.

De bewoordingen van het door den consul-generaalx) May ingezonden voorstel *) laten te dien aanzien geen twijfel over.

Bovendien heeft reeds de ondervinding geleerd, dat Engeland niet met die korting tevreden is; immers is hetzelve gedurende eenigen tijd in het genot daarvan geweest, doch was daarom niet te bewegen om van vorderingen af te zien, waaraan niet kon worden toegegeven. Engeland wilde ons destijds, gelijk nu, dwingen om het klipzout zonder betaling van inkomende regten onder Engelsche vlag toe te laten; in de onderetelling, dat wij dit zout niet kunnen missen, heeft het gouvernement den uitvoer onder onze vlag dermate bezwaard, dat er geen uitvoer meer van plaats heeft; maar zulks heeft niet belet, dat wij in overvloed van zout worden voorzien, en altijd door onze schepen (zijn er, in 1826, alleen in de haven van Antwerpen

*) Te Londen.

*) Schrijven van 10 April 1837, waarin medegedeeld werd, dat de Engelsche regeering een ontwerp van wet had ingediend, waarbij den koning de bevoëgdllétl werd verleend den invoer van graan uit landen, die de Engelsche scheepvaart of goederen niet op denzelfden voet als de nationale behandelden, te verbieden. — R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 14 April 1827, no. 3 Geheim.

Sluiten