Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

graanhandel voorgesteld, daar en bij het Hoogerhuis doorgaan en te eeniger tijd tegen Nederland zouden mogen worden aangewend, ten einde als uit zichzelven en daar waar hij zulks meest van vrucht zal oordeelen en meer bijzonder bij de leden van de beide Huizen het ondoelmatige van zoodanige beschikking te doen zien door aan dezelven voor te houden, dat Nederland, waar Engelands vaart door de lagere regten op de meeste artikelen van deszelfs nijverheid en handel, in vergelijking van de zooveel hoogere regten van het Engelsch tarief, zoozeer bevorderd wordt, en dat zich meer dan eenmaal geneigd getoond heeft om zich op wezenlijke gronden van wederkeerigheid met Groot-Brittanje over de handelsbelangen te verstaan, alle redenen zoude hebben om gevoelig te zijn over eene uitzondering van dien aard en zich niet zoude kunnen onthouden van gebruik te maken van de middelen, welke hetzelve bezit, om op zijne beurt Engeland in deszelfs commercieele betrekkingen met dit rijk te belemmeren, terwijl het al verder, ook uit een staatkundig oogpunt beschouwd, noch voor Engeland, noch voor Nederland als wenschelijk te achten is, dat men de wederzijdsche onderdanen over en weder door verbodsbepalingen of bezwarende regten kwelle en daardoor den grond legge tot verwijdering, welke onmogelijk het doel zijn kan van de beide gouvernementen, die ongetwijfeld niet meer verlangen dan de betrekkingen van vriendschap en goede verstandhouding meer en meer te bevestigen. 1 —

No. 163. — 1827, Mei 21. — DE MEY VAN STREEFKERK AAN VERSTOLK1).

De overweging van uw rapport van den 17 den dezer *) heeft den koning teruggebracht op het vroeger3) geopperde denkbeeld, in hoeverre het doelmatig zoude zijn een ander hoofdbeginsel voor het Nederlandsche tarief aan te nemen en alzoo in het algemeene hooge regten daar te stellen, met vrijlating om dezelve te verminderen ten aanzien van alzulke landen, omtrent welke onderlinge schikkingen zulks wenschelijk mogten maken. Z. M. zich dienvolgends de laatste daartoe betrekkelijke stukken

*) R. A., Buitenlandsche Zaken, exh. 24 Mei 1847, no. I Geheim. — Ook Waterstaat 2567.

') No. 162. *) No. 143.

Sluiten