Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voort, inderdaad met Madalena getrouwd. Van deze dagen moet zijn dat mooie Nieu-liedeken, dat ons zulk een vrijen blik gunt in Breero's zieleleven:

Ooghen vol Maijesteyt

Vol grootsche Heerlyckheden,

Hoe komt dat ghy nu sdbeyt

Van u iEerwaerdigheydt

En soete aerdigheit. Waarom versmaadt zij zijn stille hulde; hij beeft nooit zoo „hoogh gesien, of (hij) wist wel op wiem," Hoogmoed1 op aanzien en rijkdom kan 'hy niet dulden:

Ick ben te groot van moedt

Om yemandt yet te achten

Om Rijckdom of om goedt;

Sot is hij die 't ooc doet. Zijn eerbied voor haar sproot uit baar edel bloed, „dat God'lijc is ghevoedt met Hemelsche gedachten." Hij kwam tot haar „ootmoedich en beureest," geboeid door haar „geswindte gheest."

K heb noyt soo stout geweest

Dat ic u dorst begheeren. Dat is bet bij Breero: innig diep in zijn: ziel heeft hij zijn kunstenaarshoogheid gevoeld, was 'hij „groot van moedt," maar bij zijn verkeer in de aanzienlijke Amsterdamsche kringen voelde bij zi°h toch de mindere, was hij ootmoedig en bevreesd, voelde hij zich misschien den geminachten pierewaaier, onwaardig om rust en zuivere liefde te vinden in de sferen van in zijn oog evenwichtige levensernst en reine levensvreugde. En als hij denkt aan ernstige vrijerij, moet bij de hooge vrouw zijner droomen verklaren:

lok sou u soo veel quaat

Om myn niet mogen gunnen. Maar hij wil haar toch bekennen dat bij baar bemint als zijn ziel en hij eindigt:

Ooghen! ist dat ik dan

Myn lantwinning moet derven?

Sluiten