Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven iets, dat hem drukt, onzeker maakt, vooral tegenover de vrouwen met wie hij; verkeert. Hij mist den durf, de triumfante vastheid', die de vrouw terstond fascineert.

Laast had ick voorgenomen

Mijn noot te klagen koen.

Helaas, int bij een komen

Sonck my 't Hert inde Schoen!

Fy! ick dorstet niet doen,

d'Ov'rhand heeft schaamt gehouwen;

Bloot hart minde noyt Vrouwe:

lok wil mij anders spoen. Al lijkt het ons zonderling in een maatschappij van menschen, die allen door hard werken, door eigen energie er bovenop trachten te komen, gevoel van standsverschil schijnt daarbij niet zonder invloed geweest té zijn. Maar ook 'daartegen komt heel zijn ziel dan weer plotseling in verzet: Ghy Cooplien van de Echt en Dingers in het geven Van huw'lycxgoet, ghy gluurt op geit, op haef, op winst; Op welstand vande trou noch op het vreed-lyck leven Van Jonghelingh en Maecht en ooghdy op het minst •) Vermoedelijk heeft hij echter ook vooral een geestelijk standverschil, of juister een standverschil in eruditie gevoeld'. Tegenover de verblindiende Renaissanceschittering der klassieke wijsheid en schoonheid bij zijn geleerde, kunstrijke vrienden heeft hij «kb, hoe zeer ook ten onrechte, met zijn f(kindschool Fransch"' als kunstenaar vaak dé mindere gerekend, hij, die haast de zinnelijke schoonheid, waarvan hij getuigt: Alle stroomen van de Zee en zouden niet afwassen De brant, de heete brant die 't ijonge Hert gevoelt toch steeds in zijn zuivere liefde ook het geestelijke de hoogere eeuwige schoonheid' der ziel heeft gezocht,

6) Zie heel het liedeken, Werken, III, 558.

Sluiten