Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want siet, vergetel dranc dronck hy verscheyen nachten Door de beschouwing van niet Werelts noch niet cleyns, Maer van u schoone ziel, die waerlijcx niet gemeyns Heeft met dit aertsche volck van logge lompe zinnen. 7)

Edoch, zoon ziel had juist meestal wel iets geméén met de mode-beschaving van den tijd en daarin juist kon bij. zich niet vrij bewegen.

Des te dieper heeft hij telkens zijn val, zijn onderdompeling in het vuil der wereld, als iets onwaardigs gevoeld. Hij moest het zich zelf bekennen, als hij tot inkeer kwam:

Hoe star-oogfat mijn gesicht?Wat mach 'tgepeyns bedelven?

Wat isser in mijn breyn dat tot den Hemel klimt?

0 klare Spiegel van de kennis van mijn selven,

Ghy toont my 't kundich quaet, dies my (het herte krimpt. —

Want my verleyt en vleyt het vleyschelijok verkiesen,

Als ick na wensch en wil my lodder in de lust;

Doch als ick die geniét, so doetse my verliesen

Mijn naem, mijn goede faem en mijnder sielen rust. 8)

Dan verdwijnt voor hem alle glans en glorie van het leven, dan verzinkt alle blyde levensmoed, dan ziet bij bar en naakt heel het menschenbestaan in al zijn afschuwelijke leelijkfaeid, zijn wanhopige marteling. Elck poght met zijn gebreck, vermetel en hoovaardigh, Elck is een ander wijs en meest zijn selven sot, Elck acht hem schoon en groot en veel waer dyen waerdigfa, Elck geckt met ellick en elck wert van elck bespot. Elck loopt, elck vloekt, elk smijt, elck doet veel quade

dingen,

Elck maeckt van eere schand, elck soeckt van schande eer,

Elck is ontrou en licht en vol veranderingen,

Dat elck huyden prijst, veracht hij morgen weer. °)

Dan strekken de weemoed, de troostelooze ontmoe-

T Werken, III, 480. 8) Werken, III. 530. ') Waken, III, 523.

Sluiten