Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diging, de starre wanhoop beur vale vlerken over hem uit en hij ziet enkel leege ijdelheid, een droef eentonig spel heel het bange leven: Het arme schepsel leeft gestadigh in zijn sterven, Grenst aan zijn laetste nacht, gaept na de laetste sucht, En moet, eer hij dat denckt, het waen-sohijn-leven derven. Hoe mach 't leven zijn, dat schichtigh van ons vlucht? — De Werelt fraey vermomt, hoe schoon dat sy mach schijnen, En is niet anders als een dool-hof, een woestijn, Een razernij, een kuyl, een pijnbanck om te pijnen Haer sotte Lievers die noch in haer kercker zijn. 10)

De Breero nu, wiens gemoedsleven ik bier met een paar lijnen heb pogen te schetsen, schreef de Spaansche Brabander „om ontslaghen te zijn van (zijne) belemmeringhen en aartsche moeijelijcheden". Dat zocht hij in zijn kunst, „die niet alleen als een goddelicke sonne hemel en aarde verheugt en verciert, maar komt tot in de binnenste onbeschrijvelicke deelen dér zielen ie erinneren" d. i. binnen te dringen. In die onbeschrijfelijke deelen van Breero's ziel, waarvan we ons nu heel in de verte eenig ideetje kunnen vormen, is de Spaansche Brabander geboren. Dan ligt het toch wel voor de hand, dat in dit werk dér ziel het komische, het 'boertige niet dén boventoon kan voeren, al spreekt de dichter zelf in de opdracht van zijn boerterijen.

En inderdaad' de Spaansche Brabander is niet enkel bet min of meer grappig geval van een pronkenden, eerzuchtigen, straatarmen Antwerpschen sinjoor en een eenvoudigen, nuchteren, goedronden Hollandschen j ongen, die allebei graag lekker en veel eten, maar, als bet er op aan komt, volstrekt niet kieskeurig zijn, die mekaar geestige antwoorden, geven, raak, in groven humor, waarbij ze ondertussohen hun eigen karakter prachtig scherp voor ons uitbeelden, om daarna, zonder dat er eigenlijk iets gebeurd is, elk zijns weegs te

10) Werken, III, 514.

Sluiten