Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dien dichter, wie zyn werk ziet samenvloeien met zijn leven, het onderbewuste weet na te speuren, voelt in dit drama de gemartelde ziel van den dichter, van den kunstenaar Breero natrillen, leeft mee in al den pijnlijken ernst van deze droeve comedie.

Wie dit werk toetst aan zekere theoretische eischen van het blijspel, wie vraagt naar een zich logisch ontwikkelende handeling, naar een intrige, naar ontwikkeling van karakters, zet een bedenkelijk gezicht, klaagt over technische onvolkomenheid', gebrek aan eenheid, ziet geen „schoon geheel". Hij zal hoogstens moeten erkennen dé uitstekende kaï^terteekening in woord en wederwoord van Ierolimo en Robbert,, die dan de helden moeten zijn van dit drama, dat aan elkaar hangt als droog zand. Immers in wanhoop vraagt hij zich af, wat die knikkerende jongens, al dat gepraat van de oude patriotten en de spinsters, al die confidenties van de snollen, van Byaterys en gierige Geeraert met de beide „helden" te maken hebben. Alle „handeling" van den titelheld van bet stuk bestaat uit eten en nog eens eten. Het uitbanningsedict in de derde acte vormt de slappe peripetie in deze negatie van handeling. Maar Ierolimo eet in de vierde acte met even veel smaak als in de tweede en verdwijnt roemloos, zonder strijd tegen eenig noodlot; een lotswisseling is er niet; het is niet te voorzien, dat de Ierolimo van Vianen of Kuilenburg anders zal zijn dan die van Amsterdam. Als het vierde bedrijf eindigt, laat bij reeds voorgoed het tooneel over aan zijn hebzuchtige, kijvende schuldeischers. Indien de Spaansche Brabander inderdaad de comedie van Ierolimo moest zijn, dan was het niet meer dan een zeer middelmatige klucht met goede karakterteekening van de hoofdpersonen.

Dat echter ook de rederijker Breero zelf zich wel tot op zekere hoogte bewust is, dat de dichter meer en beter gaf, dat hij het tafereel opzette van heel bet leven

Sluiten