Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ovidius soude hebben kunnen doen. Als sy nu saghen zijn onbeschaemtheidt ende berderen (= brutalen) aensicht, so eyschten se hem den ontbijt niet ooc de ghewoonlycke mercede (= loon) die er toestaet. Ende derhalven, want by hem soo koudt van horsen ghevoelde als wel heet van image, werde soo beneutelt, dat hem niet een druppel bloets in 't lijf en was oft en veranderden, ende (hij) brocht al soo veel blau excusatien (smoesjes) bij. Dies sij hem, midts dattet doortrapte truyen (= feeksen) ende erge wijfs waren, daer lieten zitten ende planten hem al soo, want 't en was den man niet, dien zij sochten."

Uit dit simpele verhaaltje zijn nu onze levende Trijn Jans en Bleeke An geboren.

Van de spinsters, die zulk een gewichtige plaats in nemen in dit Amsterdamsche drama staan in den Spaanschen roman slechts twee regels. „Aengaende mijnen persone, vertelt Lazarillo, daer waren seeckere arme vrouwen, cattoenspinsters ende mutsebreytsters, daarmede dat ick van ghebuyrschap weghen kennisse maeckte, dieweloke my het leven salveerden: want van 't ghene dat men haer lieder gaf, so deylden sy my altijdt yet mede, daermede dat ick my seer wel lyde." Dat is alles. De prachtfiguren Byateris en Gierighe Geeraert zijn in den roman enkel vertegenwoordigd door ae woorden „terwyle so quamen daer in huys een man ende een oude vrou, waeraf de man de huyre van den buyse eyschte ende de vrouwe van het bedde;" Trouwens voor den Geeraert uit het drama heeft een werkelijk bestaande Amsterdamsche vrek als model gezeten.

Om te voorkomen, dat de toeschouwer in zijn stuk toespelingen op in Amsterdam bekende tijdgenooten zou zien, heeft Breero de handeling verlegd tot in de eerste jaren van den tachtig jarigen oorlog. Daarbij begaat hij, zooals de aandachtige lezer bemerken zal, nogal eens een anachronisme.

Sluiten